Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 2


Bert Bolle
Hoofdstuk 1
Wandeling langs een Tijdlijn - Van Loosdrecht naar Amsterdam
Het leven van schoenmaker Gijsbert Floriszoon
H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________

... uit de mist van het verre verleden ...
Aquarel uit Rien Poortvliet: Langs het tuinpad van mijn vaderen. Bron: Bibliotheek familie Bolle.
Schimmen uit het veen...
Floris... Hij komt tot ons als een onbekende uit de mist van het verre verleden. Een schim uit het veen. Nergens staat geschreven vanwaar hij kwam, waar hij woonde of wat hij deed. Zo goed als zeker woonde hij in Nieuw-Loosdrecht en de kans is groot dat hij veenarbeider was, maar dat blijft onzeker. Nergens werd zijn naam teruggevonden. Zijn vader heette vermoedelijk Romijn. Hij zal ruim genomen rond 1630 zijn geboren en rond 1655 zijn getrouwd. Met wie Floris trouwde blijft eveneens in de nevelen der veenlanden gehuld.

Interieur van de Sijpekerk in Loosdrecht in de 17de eeuw.
Litho, getekend door A. Tilly naar een schilderij van Johannes Bosboom uit 1870. Bron: Historische Kring Loosdrecht.
Ook zijn verscheiden zal zijn uitgewist. In Loosdrecht ging helaas kostbaar archiefmateriaal verloren uit die tijd. Hoeveel kinderen het echtpaar kreeg, werd evenmin teruggevonden. Pas jaren later valt in de Amsterdamse archieven te lezen dat Floris en zijn vrouw omstreeks 1660 tenminste een zoon moeten hebben gekregen. Pas tientallen jaren daarna beginnen de archieven te spreken. Deze zoon werd Gijsbert genoemd, Gijsbert Floriszoon, de eerste tastbare voorvader van de Amsterdamse Drosten, al was er van de naam Drost toen nog geen sprake. Dikwijls droeg men als achternaam de naam van de vader en het is zeer wel mogelijk dat die naam Romijn was, want die naam duikt later in Amsterdam als achternaam op, maar daarover later..
Mogelijk verloor Gijsbert Floriszoon zijn ouders al toen hij nog kind was, waardoor hij zijn jeugd in een weeshuis kan hebben doorgebracht. Daar werd de kinderen enig onderricht gegeven zoals lezen en schrijven, hetgeen zou kunnen verklaren dat Gijsbert later zijn naam kon neerschrijven bij het ondertekenen van akten toen hij daar trouwde en poorter werd van Amsterdam. Hij ondertekende in keurig leesbaar schrift in plaats van het neer krassen van een kruis wat veel mensen van de werkende klasse in die tijd deden. Een weeshuis was Loosdrecht in die jaren overigens nog niet rijk en het kan heel goed zijn dat Gijsbert een deel van zijn jeugd in Utrecht of Amsterdam heeft doorgebracht. In die steden zwaaiden de gilden de scepter en kon hij een vak leren zoals dat van ‘snyder’. Als snijder leerde je stoffen snijden en dan werd je kleermaker, ofwel je leerde leer snijden om er schoeisel van te maken. Wat wij zeker weten is dat Gijsbert Floriszoon in zijn onderhoud voorzag als schoenmaker en dat hij woonde in Nieuw-Loosdrecht. Hij zal zich vooral hebben beziggehouden met het repareren en maken van laarzen. Vooral naar stevige waterlaarzen zal vraag zijn geweest, want in Loosdrecht hielden velen zich bezig met het afgraven van veen en het zou heel goed kunnen dat de ouders van Gijsbert veenarbeiders zijn geweest.

De Loosdrechtse veenlanden.
Uitsnede van een kaart van ‘Mynden en de Loosdrecht’. Landmeter: Ian Spruytenburgh. Te Amsterdam (1734) bij J. Cóvens en C. Mortier.
Bron: Historische Kring Loosdrecht.
Toen Gijsbert als schoenmaker begon, was het in Loosdrecht overigens geen florissante tijd. Immers, in het beruchte rampjaar 1672 hadden de Fransen het dorp compleet leeggeplunderd, vrouwen verkracht, oudere mensen en kinderen mishandeld, slachtoffers gemaakt, vee afgeslacht en boerderijen zwaar beschadigd of verwoest. Wie kon vluchten had de benen genomen naar Amsterdam en het kan heel goed zijn dat de toen twaalfjarige Gijsbert bij die vluchtelingen zat, in een weeshuis belandde en uiteindelijk een vak leerde. Toen de Fransen eenmaal weg waren, moest er in Loosdrecht van alles worden hersteld of weer van voren af aan worden opgebouwd. De hulp van buitenaf zal niet riant zijn geweest, want het land had forse klappen opgelopen in de oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen en zou nog tot 1678 met Frankrijk in oorlog blijven. Er zal dan ook in die schrale naoorlogse jaren minder werk voor de schoenmakers zijn geweest en toen Gijsbert Floriszoon tegen het eind van de jaren zeventig zijn nering in Nieuw-Loosdrecht begon, zal hij vaak zijn opgezadeld met het lappen van schoeisel, iets wat minder geld binnen zal hebben gebracht dan het leveren van nieuw. Bovendien was iets nieuws maken nu eenmaal leuker dan steeds maar repareren van oud spul, vooral die vieze zware waterlaarzen...
Hoewel we de aanleiding van Gijsberts vertrek uit Nieuw-Loosdrecht nooit zullen weten, ligt de oorzaak van zijn weggaan in de lijn der logica. Hij moet hebben gedroomd van Amsterdam, die grote stad die hij waarschijnlijk vanuit eigen ervaring kende, die stad waar volop bedrijvigheid heerste en waar veel meer mensen woonden dan in zijn dorp, stadsmensen bovendien die zelden in veenlaarzen liepen maar die schoenen droegen. Er waren stedelingen bij met geld en goede smaak die een mooie schoen beter wisten te waarderen dan zijn dorpsgenoten die vaak sappelende veenarbeiders en boeren waren die zich doorgaans geen luxueuze schoenen met fraai bewerkte gespen en andere versieringen konden veroorloven en liever een paar eenvoudige klompschoenen of muilen aanschoten als ze al geen klompen of laarzen aan hadden. Op het platteland dienden schoenen de werkman en de boer hooguit voor een gang naar een bijzondere gebeurtenis, of de kerk.
Naar de grote stad
Gijsbert moet in het begin van de jaren tachtig van de 17de eeuw naar Amsterdam zijn gereisd en hij zal daar logischerwijs de trekschuit voor hebben genomen. De ’s-Gravelandse Vaart was vanuit ’s-Graveland, de Rade en de Oud-Loosdrechtse Dijk kruisend, doorgetrokken naar de Drecht. Vanaf de Kees-Dickemans Brug in de Oud-Loosdrechtse Dijk werd een lijndienst onderhouden op Amsterdam.

Kaart van de Provincie Utrecht. De kaart is naar onze huidige inzichten een kwart slag gedraaid, zodat Amsterdam rechts ligt. Beweeg de muis over de kaart en het kaartgedeelte van de vaarroute van de trekschuit tussen Loosdrecht en Amsterdam komt in beeld. Klik nogmaals op de kaart en er verschijnt een trekschuit die de bocht neemt bij de Harteveldsbrug, langs de Weesper Trekvaart naar de Diemerbrug.
(Attentie, het kan enkele seconden duren eer het vervolgbeeld verschijnt).
Kaart van de provincie Utrecht Ultraiectini Domini Tabula Multo aliis auctor et correctior. Graveur: R. de Hooghe. Amsterdam (1681) N. Visscher, uitgever. Bron: Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, 's-Gravenhage, inv. 1049B11.
Gezigt van de Ringdijk na de Diemer Brug, ets van D. Stopendael. Amsterdam (1725) door I. Greve, uitgever. Bron: Stadsarchief, inv. 010097004799.
De trekschuit deed onder meer de halteplaats in ’s-Graveland aan het Noorderend aan voor hen die van de buitenplaatsen kwamen die door vermogende Amsterdamse families waren gesticht en waaraan het dorp ’s-Graveland zijn ontstaan ontleende. Vervolgens trok het paard langs het jaagpad de zware schuit met een gangetje van vijf à zeven kilometer per uur over de ’s-Gravelandse Vaart richting de Looydijk, waarna er bij het Ankeveensche Tolhek passagegeld moest worden voldaan om naar de Uitermeer te kunnen.

Een Noord-Hollandse trekschuit uit de 17de eeuw.
Prent van R. Nooms (fragment), circa 1650. Bron: Stadsarchief, inv. 010097002360.
Dan over de Vecht naar Weesp, aldaar via de sluis en de lange Brug langs het dure Weesper Tolhek daarna Smal Weesp, Gaasp, de Oude Keulse Vaart (Weespertrekvaart), de Diemerbrug voorbij (klik op de kaart hierboven), waarna men uiteindelijk aansluiting kreeg op de Amstel. Vlak voor de stadswallen waren aan de oevers van de Amstel uitspanningen en herbergen waar trekschuiten aanlegden, zoals de schuiten die Muiden en Naarden aandeden.

Dit is wat de trekschuitreiziger in de laatste decennia van de zeventiende eeuw zag als hij Amsterdam naderde. Bedrijvigheid alom. Waterwegen waren van vitaal belang voor een ‘Koopstad’ als Amsterdam. Links herberg de Berebijt voor de trekschuiten naar Utrecht. Ten tijde van Gijsberts aankomst in Amsterdam werden daar nog gevechten tussen honden en beren (mannetjesvarkens) gehouden. Rechts herberg de IJsbreker en uitspanning Lokhorst waar de trekschuit voor Muiden en Naarden aanlegde. Klik op de kaart om deze halte te zien.
(Attentie, het kan enkele seconden duren eer het vervolgbeeld verschijnt).
Prent van de Amstel, gezien in noordelijke richting naar de Hogesluis. Etser: A. Scheevenhuysen, ca. 1700. Bron: Stadsarchief, inv. 010097015450.
Gezicht van het Weesper, Muyder, en Naarder Veer. Etser: M. Pool. Amsterdam (ca. 1710), door L. Schenk, uitg. Bron: Stadsarchief, inv. 010097011883.
Maar reizigers die met de schuit uit Loosdrecht/’s-Graveland kwamen, hadden het voorrecht binnen de veilige stadswallen te kunnen uitstappen. Het naderen en binnenvaren van de imposante stad Amsterdam met zijn verdedigingswerken moet op de Loosdrechtse schoenmaker Gijsbert een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten. En voort ging het, de stadswallen voorbij, de Amstelbrug (Hogesluis) onderdoor, de Binnen-Amstel op, de schutsluizen door, de Magerebrug onderdoor, de Blauwbrug, om dan het volgende uitzicht voorgeschoteld te krijgen.

De Binnen-Amstel in 1685, richting het centrum gezien vanaf de oostelijke zijde van de Blauwbrug met in de verte de Halvemaansbrug. Aan het eind van het huizenblok rechts het Diaconie-Weeshuis. In het midden, achter het oranje zeil, zijn in de achtergrond tussen de Halvemaansbrug en de Groenburgwal de huizen te zien aan het ’s-Gravelandse Veer. Het was daar waar de eerste Amsterdamse Drost voet aan wal zal hebben gezet.
J. van Call, pen in bruin, penseel in kleur, circa 1685. Bron: Stadsarchief.
Binnen de muren van de stad was het ’s-Gravelandse Veer, gelegen aan de Binnen-Amstel waar de reiziger voet aan wal zette. Een hele reis in die jaren, maar de trekschuit was een zeker en veilig vervoermiddel, niet overdreven duur en bij velen populair. Het was een relaxte vorm van reizen, vooral als je in de roef kon plaatsnemen met zijn comfortabele zitplaatsen, maar zoiets kostte extra geld en was dus niet voor de gewone man weggelegd. Die moest genoegen nemen met een plaats in het overvolle en benauwde ruim waar het blauw kon staan van de rook. Overigens waren de vertrek- en aankomsttijden heel betrouwbaar. Er was in de zeventiende eeuw met name in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht een fijnmazig netwerk van trekschuitdiensten opgebouwd met Amsterdam als centrum en met een goed doordachte en efficiënte dienstregeling die uitstekend voldeed. Dat alles zou tot in de eerste helft van de negentiende eeuw zo blijven.

Zo moet Amsterdam er hebben uitgezien toen Gijsbert daar aankwam en zijn bedrijf stichtte. De kaart staat naar onze huidige maatstaven op zijn kop, d.w.z. het noorden is onderin. Beweeg met de muis over de kaart om te zien waar zijn trekschuit aanlegde: de Binnen-Amstel met het ’s-Gravelandse Veer (blauwe stip) bij de Halvemaansbrug. Een klik op de kaart toont het ’s-Gravelandse Veer, gelegen tussen de Kloveniersburgwal en de Groenburgwal. De tekening werd ruim een eeuw na de aankomst van Gijsbert gemaakt, maar erg veel was er niet veranderd op die plek.
(Attentie, het kan enkele seconden duren eer het vervolgbeeld verschijnt).
Kaart van Amsterdam Exactissima Amstelodami Veteris et Novissima, Amsterdam (1688) bij F. de Wit, utgever.
Bron: Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, 's-Gravenhage, inv. 1049B11_091.
Tekening van het ’s-Gravelandse Veer door J. Cats, 1795. Bron: Stadsarchief, inv. 010097010701.

Het oude veerhuis aan het ’s-Gravelandseveer, nog steeds aanwezig rond 1915 toen deze foto werd gemaakt. Boven de deurpost staat: ‘Veerhuis op Hilversum, ’s-Graveland, Ankeveen, Kortehoef, Loosdrecht, Bussum, Leiden en Woerden.’
Foto, circa 1915. Bron: Stadsarchief, inv. 010003011738.


Straatbeeld van de Amsterdamse Jordaan in de zeventiende eeuw. In de achtergrond de Westertoren.
Tekening. Bron: Stadsarchief, inv. 010097006.
In Amsterdam
Gijsbert Floriszoon vestigde zich in Amsterdam in of voor 1685. Hij vond een huurwoning aan de Tuinstraat in de Jordaan. Die buurt was daar een halve eeuw eerder gebouwd toen de oude stad op grootse wijze werd uitgebreid met de Keizersgracht en de Prinsengracht. Voortvarende plannenmakers en bestuurders wilden nieuwkomers uit het buitenland en de provincie, alsook bedrijven die stank en herrie veroorzaakten zoveel mogelijk uit de nieuw te bouwen grachtengordel weren en zo ontstond er ten westen van de Prinsengracht een grote wijk die bestemd was voor alles wat de gegoede burgerij liever niet naast de deur had. Die wijk werd een smeltkroes van bedrijfjes, eenvoudige werkmanswoningen, maar ook duurdere huizen waar de middenstand zich zou vestigen. Wel waren de meeste straten smal en lagen kort op elkaar. De stadsontwerpers hadden, toen die buurt nog slechts weidegebied was, in grote lijnen het bestaande patroon van paadjes en sloten als stramien genomen voor hun stratenplannen en dat is nog steeds op de plattegronden te zien, want de straten en grachten staan bijna allemaal onder een onlogisch scheve hoek ten opzichte van die van de binnenstad. De nieuwe wijk kreeg al spoedig de naam ‘Het Nieuwe Werck’ die later plaats maakte voor de ‘Jordaan’.
Helaas was er voor beduidend minder lucht en ruimte gezorgd dan voor de beter gesitueerden in de grachtengordel die ruime straten, grachten en tuinen hadden, maar al was de wijk bedoeld voor de lagere stand, veilig en doeltreffend weggestopt achter de brede Prinsengracht, een echte volksbuurt werd de Jordaan niet. Integendeel, het was in het begin voor sommige mensen zelfs mode om er een woning te betrekken. Schilders van grote naam gingen er zich vestigen zoals Rembrandt en vaklieden van allerlei slag stichtten er hun bedrijfjes zoals de beroemde cartografische drukkerij Blaeu. Zo werd de Jordaan van meet af aan een kleurrijke buurt met een geheel eigen couleur locale, met een bevolking die anders was of zich tenminste anders voelde dan de overige Amsterdammers, met werkmensen die, hoe eenvoudig ze ook woonden, hun brood konden verdienen bij de bouw van de dure grachtenpanden om de hoek, waardoor ook zij hun deel meekregen van de expansiedrift van de welvarende koopmansstad. Een goede vakman kreeg naar behoren betaald en nam na gedane arbeid klinkende munt mee naar huis in zijn bombazijnen werkpak.

De schoenmaker buiten op straat aan het werk.
Tekening in bruine pen en penseel door Jan Luiken als voorstudie voor zijn Menselyk Bedryf, eind 17de eeuw.
Bron: Amsterdams Hist. Mus.. Inv. A13363-A13467.
De verscheidenheid aan bedrijven was als een lappendeken over de Jordaan verspreid. Er vestigden zich plaatdrukkers, lijstenmakers, passementwerkers, schoenmakers, tegelmakers, parelrijgers, schrijnwerkers, goudleermakers, jeneverstokers, kleermakers, kuipers, allemaal kris kras door elkaar, maar er waren ook vaklieden die zich op één plek concentreerden. Zo werd de Bloemgracht een verzamelplaats van lakenververs die zich daar voortaan met het uitspoelen van hun milieuonvriendelijke verfstoffen mochten uitleven. Langs de Anjeliersgracht die later Westerstraat werd, stonden bakkerijen die scheepsbeschuit bakten voor belangrijke klanten als de VOC en de WIC die met hun veelheid aan schepen de wereld afzeilden. De touwslagers hadden hun lijnbanen bij de Schans, later de Weteringschans, de Sarphatistraat en de Marnixstraat. Daar was ook de Raampoort, een doorgang in de stadswal die toegang gaf tot de lakenramen die buiten de stad stonden opgesteld. Op deze lakenramen werden de lakens gehangen die door de vollers waren voorbereid. Het vollen diende om het laken te laten krimpen en te vervilten. Na te zijn opgespannen, werden de lakens gedroogd en door de keurmeesters na goedkeuring gewogen en van een zegel voorzien.
De Brouwersgracht met zijn goede bereikbaarheid vanaf het IJ trok vrachtschepen aan, waardoor er in de buurt pakhuizen kwamen voor allerhande koopwaar zoals graan, hetgeen de vestiging van bierbrouwerijen stimuleerde, waardoor de gracht zijn naam kreeg. Er kwamen papiermolens, houtzaagmolens en allerhande fabriekjes. De leerlooiers die in de eeuw voor de grote stadsuitbreiding hun looierskuipen aan de buitensingel hadden en waar straatnamen als Huidenstraat en Runstraat een blijvende herinnering aan zijn, verhuisden eerst naar de buurt van de Oude Looiersstraat en weer later, toen de stadsvergroting zich oostwaarts ging uitbreiden, naar de Nieuwe Looiersstraat. Die lag niet ver van de Amstel waar de runmolen van het Huidenkoopers- Looijers en Schoenmaakersgilde schors vermaalde bij de Omval. Het aldus verkregen product werd run genoemd. Deze run werd tussen de geprepareerde huiden gestrooid, waarna de huiden in de looikuipen werden opgestapeld waar ze soms jaren moesten blijven. Erg lekker zal het er niet geroken hebben, vandaar dat de looiers steeds weer vanuit de oprukkende woonbuurten zullen zijn verdreven, al zullen er her en der in de stad heel wat meer onwelriekende nijverheidsgeurtjes zijn opgesnoven in die tijd. Van overlastpreventie en milieubewustzijn had men nog weinig kaas gegeten in die turbulente zeventiende eeuw en men ging er gemakshalve maar van uit dat een mens toch niet meer viezigheid kon binnenhalen dan slechts een neus vol...

Zicht op de Amsterdamse Jordaan vanaf Kostverlorenwetering bij Kattensloot. Links de Noorderkerk, rechts de Westerkerk.
Profiel van Amsterdam. Tekenaar onbekend. Circa 1650-1700. Bron: Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, inv. Stadsarchief, KOG-AA-28-598.
Hoe dan ook, de Jordaan was een levendig deel van Amsterdam en het was in die Jordaan dat Gijsbert Floriszoon terecht kwam, zoals dat gebeurde met de meeste mensen van buiten. Geld om zelf een huis te kopen had hij niet en omdat hij geen poorter van de stad Amsterdam was, kon hij geen lid worden van een der gilden die zich met het maken of herstellen van schoeisel bezighielden. Gijsbert zal zijn waren aan de straat hebben verkocht, al ventend, of zich misschien alleen met het lappen hebben beziggehouden, zittend in zijn pothuisje, een lage aanbouw tegen de gevel van een huis, meestal in directe verbinding met een kelder of souterrain. Hij kan ook hebben gebivakkeerd in een van de houten huisjes die van stadswege langs de grachten nabij druk belopen dwarsstraten waren geplaatst om de handwerksman tegen weer en wind te beschermen. Schoenlappers kwamen voor dergelijke fraaie kleine bouwsels in aanmerking omdat ze weinig werkruimte nodig hadden. Hun taak was tevens om erop toe te zien dat de burgerij geen drek of vuilnis op straat deponeerde, dus min of meer als een controlerend verlengstuk van het hoofdstedelijk bestuur, een soort steunzool der vroede vaderen. Menig schoenlapper stond bekend als een wandelende krant die alles wist en zag, omdat zijn werkterrein de straat betrof en er altijd wel iemand langskwam om een praatje te maken.

Een schoenlapper aan het werk bij zijn huisje langs een van de grachten. Een vertrouwd straatbeeld in het Amsterdam van Gijsbert Floriszoon.
Schilderij door Matthijs Naiveu (1647-1726), olieverf op paneel, 2de helft 17de eeuw. Bron: Amsterdams Historisch Museum, inv. SA 8427.

Gijsbert trouwt
Of Gijsbert zijn vriendin Marritje Poulus leerde kennen toen ze haar kapotte muiltjes door hem liet lappen, is niet overgeleverd, maar zeker is dat hij op zaterdag 20 oktober 1685 met haar in ondertrouw ging voor de kerk. Voor de huwelijksintekening ging het aanstaande paar naar het stadhuis waar enkele Commissarissen van Huwelijkse Zaken zitting hadden. In de ondertrouwakte kunnen we lezen dat ‘Gijsbert Floorisz van den Loosdregt schoenmaaker oud 25 Jaaren in de Tuijnstraat ouders doot’ in het huwelijk wilde treden met ‘Marritie Poulus van Amsterdam oud 20 Jaaren woont als vooren’. Kennelijk was het meisje, al dan niet met haar moeder, bij Gijsbert ingetrokken, maar het is waarschijnlijker dat dat andersom is geweest. De akte werd door Gijsbert ondertekend met ‘Gÿsbert Floorese’. Marritje zette een kruisje. Het jonge stel had de mogelijkheid in het stadhuis te trouwen of in de kerk. Enkele hervormde kerken – gereformeerd heette dat destijds – hadden daartoe vergunning. Gijsbert en Marritje trouwden drie weken later in de Nieuwekerk, vlak naast het prachtige stadhuis van bouwmeester Jacob van Campen, thans bekend als het Koninklijk Paleis. Bij de deur van de kerk had volgens de wettelijke regels gedurende drie weken de aankondiging van hun huwelijk gehangen, samen met die van de 23 andere paartjes die diezelfde dag in het huwelijk traden. Dat was op zondag 4 november 1685. De door de gebroeders Hemony gegoten klokken zullen waarschijnlijk niet hebben gebeierd, want dat kostte extra penningen en zo rijk was een eenvoudige schoenmaker doorgaans niet.

Ondertrouwakte van Gijsbert Floriszoon en Marritje Poulus. Met onderaan de oudst bekende handtekening van een voorvader van de Amsterdamse Drosten.
Bron: DTB 514 fo: 265, Stadsarchief
Genealogische dwalingen
Van het huwelijk van Gijsbert Floriszoon zijn zowel de ondertrouwdatum als de huwelijksdatum bekend, maar dat is lang niet altijd het geval. Bij een genealogisch onderzoek worden maar al te vaak alleen de data gevonden van iemands doop, ondertrouw en begraven.
Pas sinds 1811 toen de Burgerlijke Stand ingang vond, werden de data van geboorte, huwelijk en overlijden geregistreerd. Voor die tijd waren het voor een belangrijk deel de kerken die de gegevens van de mensen bijhielden. Voor de kerk was een doop- of begraafdatum van groter belang dan een geboorte- of sterfdatum. Ook het registreren van een ondertrouw was in de regel aanzienlijk gedetailleerder dan de inschrijving van het huwelijk zelf.
Toch worden al jaar en dag her en der in genealogische verslaglegging de doop- ondertrouw- en begraafdata te pas en te onpas als geboorte-, trouw- en sterfdata opgevoerd. En onjuiste voorstelling van zaken. Toch blijft deze foutieve en verwarringgevende weergave van die o zo belangrijke momenten in een mensenleven doodleuk voortbestaan. Behoudzucht? Onwetendheid? Nonchalance? Gemakzucht? Helaas komt dat laatste vaak voor. Men schrijft dan dingen van elkaar over. Dat is de grootste vijand van de genealogie, maar helaas ook van menig wetenschappelijk onderzoek. Mensen blaten elkaar maar al te graag na...
De auteur heeft getracht die ingeslepen foute gewoonte in de genealogie te doorbreken door, voorzover hij dat kon, een genealogisch gegeven van een voorouder daar te plaatsen waar het thuishoort.
|

Kaart van Amsterdam uit 1688 met een deel van de Jordaan. De kaart staat naar onze huidige maatstaven op zijn kop, d.w.z. het noorden is onderin. Gijsbert woonde op drie locaties: de Goudsbloemstraat (groen), de Tuinstraat (rood) en op het kruispunt van de (Nieuwe) Leliestraat en de Leliedwarsstraat.
Deel kaart van Amsterdam Exactissima Amstelodami Veteris et Novissima, Amsterdam (1688) bij F. de Wit, uitgever. Bron: Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, 's-Gravenhage, inv. 1049B11_091.
Hoewel de meeste mensen in Amsterdam een ruime mate van vrijheid genoten in hun religie en kerkgang ten tijde van Gijsberts huwelijk, was dat op andere plaatsen in de wereld wel anders. Zo was in Frankrijk de haat jegens de Hugenoten weer opgelaaid. Op 18 oktober 1685, dus twee dagen voordat Gijsbert Floriszoon in ondertrouw ging, had Koning Lodewijk XIV het van 1598 daterende Edict van Nantes herroepen. De Oprechte Haerlemsche Courant berichtte er reeds na enkele dagen uitvoerig over. Het Edict van Nantes had de Franse calvinisten enige vrijheid van godsdienst gegund, maar daar kwam van katholieke zijde meer en meer verzet tegen. Voor de Hugenoten was de daad van de Franse koning de bekende druppel en velen ontvluchtten het land naar streken waar de door hen zo felbegeerde godsdienstvrijheid heel wat beter in ere werd gehouden, zoals de Republiek der Nederlanden waar veel Hugenoten dan ook naartoe trokken. Ze werden met open armen ontvangen, want het ging dikwijls om goede geschoolde handwerkslieden en ondernemers en die waren best welkom in het door de oorlog verzwakte land. Vooral de textielnijverheid had dringend behoefte aan nieuw bloed.
In Amsterdam, een stad die in die jaren duidelijk een hervormde signatuur had en het niet erg begrepen had op katholieken, vestigden zich in de jaren na Gijsberts huwelijk dan ook aardig wat Franse textielvaklieden, zoals lintwerkers en wevers die zijde en brokaat produceerden. Maar ook andere ambachten brachten de Hugenoten binnen de muren van de hoofdstad die inmiddels rond de 200.000 inwoners telde. Een stad als Amsterdam was voor zijn tijd tamelijk liberaal en er waren veel dingen toegestaan die elders taboe waren. Zo werden er boeken gedrukt die in andere landen verboden waren, zoals die van de Franse filosoof René Descartes. Amsterdam was in velerlei opzichten een vrijhaven voor andersdenkenden en die werden zo goed en zo kwaad als dat ging met rust gelaten, soms openlijk, soms oogluikend. Zakelijk inzicht lag daar voor een belangrijk deel aan ten grondslag. Hoe minder de stad zich inliet met conflicten als godsdiensttwisten, oorlog en opstanden, des te beter floreerde de handel. De vroede vaderen deden er dan ook alles aan om rust in de tent te houden. Door deze conflictmijdende houding was het Amsterdam gelukt om ten volle te profiteren van de explosief groeiende handel op gebieden waar de VOC en de WIC hun greep op hadden en werd de stad in relatief korte tijd in hoge mate welvarend en belangrijk.
Naarmate de 17de eeuw zijn tweede helft doorliep, begon de economie in Amsterdam echter meer en meer te tanen. De Gouden Eeuw was inmiddels allang over zijn hoogtepunt heen. Kregen sommige handwerkslieden eerst nog allerlei voorrechten en premies zoals de Hugenoten, tegen het einde van de eeuw verdwenen die. De magneetwerking van de ‘koopstad’ had meer mensen aangelokt dan er nodig waren en tegen de tijd dat Gijsbert Drost naar Amsterdam trok, was de spoeling voor eenvoudige mensen zoals hij dan ook aardig dun geworden.

Inschrijving van Gijsbert Florisz als poorter van Amsterdam.
Bron: Poorterboek 6 fo: 241, Stadsarchief.
Voor nieuwkomers was het in ieder geval verstandig om zo spoedig mogelijk aan een poorterbewijs te komen. Eenmaal een getrouwd man, lagen er voor Gijsbert kansen open om net als zijn vrouw poorter van Amsterdam te worden, en op vrijdag 25 september 1686 was het zover. Het Poorterboek vermeldt dat op die dag de inschrijving van ‘Gijsbert Florisz, uijt de Loosdregt, schoenmaker’ de poortereed aflegde, met Marritje Paulus als getuige. Zo’n poortersceel was wel aanzienlijk duurder dan een ingezetenenceel, maar het opende de deur naar een gilde veel makkelijker.
Het jonge gezin leefde niet onder een al te gelukkig gesternte. Hun eerste kindje werd dood geboren en de overige drie kinderen overleden kort na hun geboorte, waarbij het laatste kindje fataal bleek te zijn voor de jonge moeder. Begin 1692 overleed Marritje Poulus in het kraambed en korte tijd later stierf ook de baby. Veel geld zal Gijsbert niet hebben gehad, want de moeder werd Pro Deo begraven.
De jonge weduwnaar bleef in de Tuinstraat wonen en knoopte na enige tijd een relatie aan met Annetje Jans van Wilgen uit Leiden. In het voorjaar van 1695 dienden de voortekenen van een vader- en moederschap zich aan. Gijsbert vroeg Annetje ten huwelijk en op vrijdag 13 mei 1695 gingen ze in ondertrouw voor de kerk, waarna ze op zondag 29 mei 1695 in het huwelijk traden. Het pas getrouwde stel ging in de Goudsbloemstraat wonen, eveneens in de Jordaan.


De Goudsbloemstraat. Deze huisjes vlogen in 1682 in brand, maar konden worden gespaard dankzij de slangenbrandspuit, uitgevonden door Jan van der Heyden. Nieuwbouw in hout was toen reeds verboden.
Bron: Internetsite over de Jordaan (vervallen).
De gilden
Onze schoenmaker zal in de jaren van zijn eerste huwelijk niet zijn toegelaten tot het Huidenkoopers- Looijers en Schoenmaakersgilde, ondanks zijn poortersceel, want dat gilde had strenge regels en nam alleen leden aan die behalve een poortersceel ook een proeve van bekwaamheid konden afleggen als meester schoenmaker. Bovendien werd er een intreegeld verlangd. Voor Gijsbert wat dat alles klaarblijkelijk niet weggelegd, want bij zijn tweede huwelijk gaf hij als beroep het minder zwaar beschermde schoenlapper op. Schoenlappers behoorden aangesloten te zijn bij het Oude Schoenmakersgilde dat sinds 1590 de toevoeging ‘Schoenlappersgilde’ had gekregen en waarvan men lid kon worden als er een poorterbewijs kon worden overlegd en wanneer de aspirant gildebroeder zich uitsluitend met het herstellen van schoeisel bemoeide. Helaas zijn er geen ledenlijsten bewaard gebleven, zodat we slechts kunnen vermoeden dat Gijsbert gildebroeder van dit wat lager geklasseerde gilde is geweest.

Gevelsteen van het Oude Schoenmakers en Schoenlappersgilde, getekend in 1868 toen de steen werd verplaatst.
Bron: Stadsarchief, inv. 010194000360
Nog steeds bestaat er een gevelsteen met het opschrift ‘T HVYS VA HET HOVDE SCOVMAKERS / EN SCVLAPPERSGILDT 16 . .’ afkomstig uit het huis van dat gilde dat stond in de Herodes- of Hametersgang aan de Singelgracht. Het huis was op 15 december 1633 door de ‘overluiden’ ofwel het bestuur van het Oude Schoenmakers- en schoenlappersgilde aangekocht en in 1663 als gildenhuis in gebruik genomen. Tot in 1713 heeft het gilde zijn bijeenkomsten en vergaderingen in het pand in de Hametersgang gehouden en wie weet hoeveel voetstappen Gijsbert daar zal hebben liggen.
Een erg klinkende naam had het gilde in de tijd van Gijsbert Floriszoon niet meer. Het schoenlappersgilde vertegenwoordigde nu niet bepaald de elite van de ambachtslieden en in de loop van de zeventiende eeuw was men het steeds minder zo nauw gaan nemen met de poorterbewijzen. Tegen de tijd dat Gijsbert naar Amsterdam trok, hadden er van de ongeveer 650 gildeleden slechts de helft een poortersceel. Gijsbert zal dan ook weinig moeite hebben gehad om lid te worden en de kosten van de ‘jaarzang’ ofwel de contributie zal wel niet astronomisch hoog zijn geweest. Mogelijk heeft zijn gilde ook een zogeheten armenbos gekend, een soort collectieve verzekering om de meest noodlijdende gildenbroeders te hulp te kunnen komen.
Geen Drost maar Romijn
Gijsbert Floriszoon kwam bij zijn huwelijksintekening met een achternaam op de proppen die hij nog niet eerder had gebruikt. In de ondertrouwakte staat namelijk dat ‘Gijsbert Flooresz Romijn (ook geschreven Romeijn) van de N. Loosdregt, schoenlapper’ wil trouwen met ‘Annetje Jans van Leijden oud 20 jaren op de Lindegracht ouders doot’. De naam Romijn kan een zelf aangenomen naam zijn geweest, want vaste regels over achternamen kwamen pas tijdens het Franse bewind in het begin van de 19de eeuw. Veel waarschijnlijker is dat de naam Romijn de familienaam was en dat de vader van Floris de voornaam Romijn droeg. De naam Romijn was een veel voorkomende voornaam in die jaren. De auteur heeft dan ook gemeend de genealogie van de Amsterdamse Drosten met deze Romijn te laten beginnen, zij het onder voorbehoud. Overigens komen we de naam Romijn (of Romeijn) in relatie met Gijsbert Floriszoon nergens anders meer tegen. Hij noemde hem slechts bij één gelegenheid, namelijk bij zijn tweede huwelijk. Ook ditmaal zette Gijsbert keurig zijn handtekening ‘Gÿsbert Floorese’, en zette zijn nieuwe gade een kruisje.

Ondertrouwakte van Gijsbert Floriszoon en Annetje Jans van Leijden. Ook hier de handtekening van Gijsbert Floorese en een kruisje van zijn nieuwe eega.
Bron: DTB 524 fo: 219, Stadsarchief.
Wie mocht denken dat die naam Romijn een vergissing of een verschrijving was, moet de vermelding van het pas getrouwde paar in het Trouwregister van de Nieuwe Kerk maar eens goed bekijken. Hier wordt de achternaam in keurig en goed leesbaar Nederlands herhaald.

Inschrijving in het Trouwregister van Gijsbert Florisz(oon) Romijn en Annetje Jansd(ochter van Leijden).
Bron: Trouwregister Nieuwe Kerk deel 992 fo: 320, Stadsarchief.
Wederom kwam er verdriet in het huis van Gijsbert de schoenlapper. Ruim vier maanden na zijn huwelijk met Annetje kwam hun eerste kindje dood ter wereld. Het werd dezelfde dag begraven, maar in 1696 was het dan eindelijk zover dat Gijsbert een kind in de armen kon houden dat in leven zou blijven. Het was een meisje en kreeg de naam Giertje mee. Inmiddels was het gezinnetje verhuisd naar de Leliedwarsstraat, wederom in de Jordaan. Annetje Jans schonk haar Gijsbert daarna nog zes kinderen van wie de eerste drie zeer jong stierven. De overige drie die in leven bleven waren jongens waarvan de oudste, Johannes Gijsbertszoon de stam der Amsterdamse Drosten zou voortzetten als Jan Drost.

Een Drost werd geboren...
Het gezin van Gijsbert Floriszoon en Janntje van Willigen aan de Nieuwe Leliestraat breidde zich gestaag uit. Na enkele jong overleden spruiten kwam Johannes Gijsbertszoon ter wereld. Hij werd in april 1703 geboren en trad in de voetsporen van zijn vader door het vak van schoenlapper te kiezen, al zal hij dat vak van iemand anders hebben moeten leren, want zijn vader Gijsbert stierf in 1709, 49 jaar oud. Het gezin woonde inmiddels aan de eerste Leliedwarsstraat. Dat vader geen hoge welstand bereikte, moge blijken uit het feit dat hij Pro Deo moest worden begraven. Het zal dus wel armoe troef zijn geweest in dat schoenlappershuisje in de Jordaan.
Voor Gijsbert Floriszoon was het jaar 1703 een bijzonder jaar. Niet alleen werd zijn eerste zoon geboren die de stam van de familie veilig zou stellen, maar kort voordat zijn vrouw zou bevallen, was hij betrokken bij een hevige burenruzie.
Vechtpartij in de Jordaan
Wat Gijsbert Floriszoons ogen zagen
Men schreef 8 februari 1703. De Jordaan werd toen nog vaak Het Nieuwe Werck genoemd, de nieuwe buurt die in de 17de eeuw werd gebouwd voor arbeiders en nieuwkomers. De benaming Jordaan ontstond pas later en kwam zo goed als zeker af van de Prinsengracht die rond het eind van de 17de eeuw als bijnaam de Jordane droeg. In 1691 lezen we: ‘Het volck uyt de agterstraetjens, aan de overzijde van de Jordane, te weten de Nieuwe uytlegging tuschen de Prince en de Baen (Lijnbaansgracht), van de Brouwers tot de Leydse gragt toe’. Geleidelijk aan sloeg die bijnaam Jordaan voor de Prinsengracht op de hele nieuwe buurt die erachter lag, en zo werd de Jordaan de Jordaan zoals die dat tot op de dag van vandaag nog is.
De Nieuwe Leliestraat was in 1703 een Jordaanstraat als de meeste andere. Winkeliers, werklui, ambachtslieden, artiesten, gezinnen, alleenstaanden, ouderen, ze zaten allemaal kris kras door elkaar. Daar woonden bijvoorbeeld Ariaantje Jans, de weduwe van Wessel van Diepen, en het gezin Fonteijn, en verderop verkocht Warnar Beuningh kruidenierswaren in zijn komenijswinkel. Aan de overkant konden de kunstschilders hun werken laten inlijsten bij meester lijstenmaker Jeroen Pieterszoon. Wie wat te timmeren had, ging naar de ijzerwinkel van Gerrit van Gijen en voor je kapotte schoenen klopte je aan bij.... juist!.... Gijsbert Floriszoon.
Je kon het zo gek niet bedenken of het zat in de buurt en de Westerkerk was bijna om de hoek. Even de Prinsengracht over, en je was er. Kortom, Het Nieuwe Werck was een gezellige buurt, al kon het er soms ook wel minder gezellig zijn. De buurt herbergde een bonte smeltkroes van mensen waar natuurlijk ook rauw volk tussen zat.

Een zeventiende-eeuwse Amsterdamse schoenlapper bezig met het lappen van een paar muiltjes.
Doek, anoniem, Hollandse school ca. 1675. Collectie Museum Bredius, 's-Gravenhage, inv. 118-1946, cat. 198.
Het was hartje winter. Gijsberts vrouw Annetje was in verwachting van haar vijfde kind dat in april ter wereld zou komen als Johannes Gijsbertszoon en die later als Jan Drost voor de voortzetting van de Amsterdamse Drostenstam zou zorgen. Op die achtste februari zat Gijsbert schoenen te lappen in zijn werkplaatsje, toen er rond elf uur in de morgen ergens vlakbij een flinke ruzie werd gemaakt. Even later klonk er een hels kabaal, want de ruzie scheen zich naar de straat te hebben verplaatst. Gegil en gekrijs van vrouwenstemmen voerden de boventoon, afgewisseld door het bassende gebrom van een paar mannen. Gijsbert schudde zijn hoofd. Wéér die zusters bij Gerrit van Gijen!... Dat geruzie was daar nu al dagen aan de gang, maar ditmaal scheen de zaak toch behoorlijk te escaleren.
Gijsbert holde naar buiten om te zien wat er gaande was. Hij was niet de enige, want zo ongeveer de hele buurt kwam op het gekrakeel af dat voor de ijzerwinkel van Gerrit van Gijen plaatsvond. In de deuropening stond Magtelt Matet, de dienstmeid van Gerrit met een behuild gezicht, verwilderde haren en een rood hoofd. Een paar meter verder stond haar zuster Maria op straat te schuimbekken. Timmerman Jan van Haerlem die bij Gerrit aan het werk was, had haar even tevoren met de allergrootste moeite de winkel uitgewerkt en dat was maar goed ook, want Maria had haar zuster in de winkel aangevallen en geslagen, en zonder de tussenkomst van de timmerman zou de vechtpartij danig uit de hand zijn gelopen. Maria had namelijk in blinde razernij ijzerwerk van de toonbank gegrist en wilde daarmee haar zuster te lijf gaan. Even tevoren had ze Magtelt uitgescholden en beschimpt en haar toegeschreeuwd dat ze een hoer was, dat ze twee hoerenkinderen bij Gerrit van Gijen had ‘geteeld’, dat zij en Gerrit het nog steeds als hoer en dief met elkaar hielden en dat Gerrit de grote man uithing door een huis te bouwen met geld dat hij haar ontstolen had, háár geld!

De Bloemstraat in de zeventiende eeuw.
Doopsgezinde Kerk. Tekening van C. Pronk, 1729.
Bron: Stadsarchief, inv. 010055000098
Zelfs buiten op straat gaf de vloekende en tierende Maria niet op en schold Magtelt ten aanschouwen van de hele buurt opnieuw uit voor alles wat mooi en lelijk was. Wat ze binnen had uitgeschreeuwd, deed ze buiten nog eens dunnetjes over. Ze ging daarbij als een waanzinnige tekeer en pakte een paar stukken ijzer die voor de winkel lagen uitgestald en gooide die naar het hoofd van haar zuster. De hele buurt was in rep en roer.
Deze ruzie was waarschijnlijk de bekende druppel geweest voor Magtelt. Ze wilde aangifte doen en mobiliseerde getuigen van het voorval. Die waren er genoeg! Zo hadden Agnes van Tulden uit de Goudsbloemstraat en Annetje Hendricks de Vries van de eerste Nieuwe Leliedwarsstraat gezien en gehoord wat er zich in de winkel had afgespeeld. Van het zeer kleur- en klankrijke buitengebeuren waren nog veel meer mensen getuige geweest, waaronder enkele winkeliers en Gijsbert Floriszoon de schoenlapper. Ze wilden maar wat graag getuigen, want men was dat burengerucht goed zat. Dirckie Noordhoek zou met een groepje buurtbewoners ten behoeve van Magtelt een verklaring afleggen bij notaris Joannes van Geuns, hetgeen twee dagen na het voorval gebeurde op 10 februari. Gijsbert Floriszoon ging mee als getuige en tekende met ‘Gijsbert Florese’.
Hoe het met de vechtende vrouwen afliep, is niet bekend. Na het voorval zal het leven in Het Nieuwe Werck weer snel zijn normale gang hebben hervonden, want tijd om bij de dingen langdurig stil te staan was er niet. Er moest keihard gesappeld worden in de wijken buiten de Prinsengracht. Binnen de grachtengordel was het leven vaak anders, vooral in de statige grachtenpanden. Daar zat de gevestigde orde van Amsterdam, daar zaten het patriciaat, de adel en de kooplieden, mensen met een buitenplaats aan de Amstel of aan de Vecht. Zij stonden ver af van volkse zaken als een vechtpartij en gebruikten dat woord alleen met een hoofdletter, namelijk wanneer ze hun gasten wilden inviteren voor een deftige Vechtpartij op hun landgoed...
‘Den 10 Februarij 1703 - N 94 - Attestatie van Dirckie Noorthoek en consorte ten behoeve van Magtelt Matet
heden den 10de februarij 1703 en volgende dagen compareerde voor mij Joannes van Geuns openbaer notaris bij den hove van Hollandt geadmitteert binnen Amsterdam residerende int bij wesen vande naegenoemde getuijgen Dirckie Noorthoek huijsvrouw van Gerrit Fonteijn, Ariaentie Jants weduwe van Wessel van Diepen, Jeroen Pietersz mester lijstemaeker, Warnar Beuningh, comenijhouder, Gijsbert Florisz schoenlapper en Jan van Haerlem timmerman alle getuijgen van genoegen ouderdom wonende sij vijff eerste getuijgen inde Nieuwe Lelijstraet en hij laetste getuijge inde Blomstraet de welke ten versoeke van Maghtelt Matet en alle andere die sigh dese wilde aenmatigen verklaeren en attesteren dat eergisteren morgen den 8ste deser maendt de klocke elff uuren aen thuijs van Gerrit van Gijen (alwaer de requirante voor dienstmeijdt wonaghtigh is) staende inde nieuwe Lelijstraet is gekomen des requirants suster Maria Matet welke aldaer voor en int voorschreven huijs een groot gewelt en buurengerught heeft gemaekt, scheldende de requirante en haer mester de voorgemelde Gerrit van Gijen voor een hoer en een dieff seggende dat nieuwe huijs dat hij van Gijen temmert is van mijn gelt dat heeft hij mijn ontvremt en ontstolen en daer speelt hij de grote mester van, mijn suster (uijtdruckende daer mede de requirante) heeft twee hoere kinderen bij hem van Gijen geteelt en sij houden het nogh als hoer en boeff met malkanderen, vattende vervolgens als een dolsinnigh mens int voorgemelde huijs van van Gijen, de requirante Magtelt Matet bij het hooft, slaende haer sodanigh, dat alswanneer de timmermanskneght aldaer arbeijdende de requirante niet hadde ontset en te hulp waere gekomen, sij maria matet de requirante deerlijck soude mishandelt hebbe, dat de voorgenoemde timmermanskneght haer Maria Matet met veel moeilijk(heden) uijt het meergemelde huijs hebbe gebraght en gekregen, wanneer sij Maria Matet met haer schelden, vloeken en quatspreeken de gehele buurt in rep en roer heeft gestelt, nemende het lijstenwerck (‘t welk aldaer ten huijse verkoft werd) soo van t venster als d’andere plaetse daer het op leijden in backen om daer mede de requirante naer ‘t hooft te goijen gelijck sij twee eerste benevens de vierde getuijgen nogh te samen verklaerden dat diergelijcke voorvallen door de meergemelde Maria Matet jterative maelen voor de dagh van eergisteren aldaer ten huijse van Gerrit van Gijen staende als vooren inde Nieuwe Lelijstraet sijn gepleeght geworden en buurengerught gemaekt compareerde nogh Agnes van Tulden weduwe van Guillam van Hoekbraken wonaghtigh inde Goudsblomstraet en Annetje Hendricks de Vries huijsvrouw van Hendricus Robert wonaghtigh inde Eerste Nieuwe Lelijdwarststraet dewelke ten versoeke als vooren attesteeren dat sij attestanten op voorledene donderdagh den 8ste deser maendt als wanneer sij attestanten inde Nieuvwe Lelijstraet aen in en omtrent het huijs van Gerrit van Gijen waeren hebben gezien dat Maria Matet des smorgens ten elft uuren aldaer ten huijsse een groot gewelt en buuregerught heeft gemaekt, scheldende haer suster de requirante in desen voor een hoer, en hem van Gijsen voor een dieff roepende vervolgens die schelm (uijtdruckende daer mede hem van Gijsen) heeft dat huijs, wijsende op het huijs dat door van Gijen getimmert wordt, van mijn gelt, dat hij van mijn gestolen heeft gemaekt nemende het lijstenwerck (dewijl daer een ijserwinkel gedaen werdt) van de toobanck en vensters willende daermede haer suster de requirante te slaen twelk door de timmermanskneght die aldaer ten huijse arbeijde belet is geworden. Gaende vervolgens als een dol en uijtsinnigh mensch. Gevende de attestanten hetgeen verklaert is, voor reedenen van wetenschap als eerstelijck sij ses eerste geytuijgen dat sij aldaer inde Nieuwe Lelijstraet en Blomstraet wonaghtigh sijn ende benevens de twee laetste getuijgen sooals sij mede geattesteert hebben ten voorgemelde tijde als inde verklaringh staet ten meden gestelt bij en present sijn geweest ende sulx al het geen bij jder ven hen verklaert is sodanigh hebben gesien en ondervonden, presenterende daer omme dese nader met een eedt te stercken dat aldus passerende binnen Amsterdam int bij wesen van Jan van den Heuvel en Jan Mulder als getuigen
dit + is getekent bij Dirckie Noorthoek
huijsvrouw van Gerrit Fonteijn
yan van den heuvel
dit + is getekent bij Ariaentie Jans
wedue van Wessel van Diepe
Gerven Pietersz
Geijsbert Florese
Waernaer Benninck
Jan van Haerlem
Agnes van Thulden
dit + is getekent bij Annetie Hendricks de Vries
Jan Mulder
Quod attestor J.v. Geuns’
|
Top
Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 2
Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.
    
|