Hoofdstuk 1 Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 3


Bert Bolle
Hoofdstuk 2
Wandeling langs een Tijdlijn - De eerste officiële Drost
Schoenlapper Jan Drost en zijn kinderen
H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________
De familienaam Drost kwam in zwang

De vermelding van het overlijden van Gijsbert Florisz in een begraafakte van 1709. De oudst bekende officiële vermelding van de naam Drost in de familie.
Bron: DTB 1171 fo: 41, Stadsarchief
De aangifte van het overlijden van Gijsbert Floriszoon werd gedaan door ene IJsbrant Postilje. In welke relatie IJsbrant tot de familie stond is niet duidelijk en wie of wat hij was werd niet gevonden, maar hij speelt wel een belangrijke rol in de geschiedenis fan de familie Drost, want hij was degene die als eerste de achternaam Drost liet noteren. De overlijdensakte van Gijsbert Floriszoon van 1709 is dan ook het oudst bekende familiedocument waarop de naam Drost voorkomt, op de voet gevolgd door de begraafakte. Ook hier is het weer gissen naar het hoe en waarom. Had de overleden Gijsbert soms ooit bij zijn leven te kennen gegeven dat hij de naam Drost als achternaam wilde voeren? Dat is hoogst onwaarschijnlijk, want hij had bij de geboorteaangifte van zijn tien kinderen tienmaal de kans gehad om de naam Drost op te geven, maar deed dat nooit. Ook zijn getuigenverklaring betreffende de vechtpartij uit 1703, in het voorgaande hoofdstuk beschreven, ondertekende hij met zijn patroniem en niet met Drost. Zelfs in de geboorteakte van Gijsberts jongste kind Flip, geboren in 1707, dus slechts twee jaar voor het overlijden van de vader, staat de naam Drost niet vermeld. Was het dan de weduwe van Gijsbert geweest die de naam Drost had aangedragen? Soms werd er bij een overlijdensaangifte voor een nieuwe achternaam gekozen om een andere familienaam voor uitsterven te behoeden, bijvoorbeeld de familienaam van een moeder. Vanuit de voorouders van de Amsterdamse Drosten kan de naam Drost zo goed als zeker niet zijn gekomen, daar was de naam Romijn al als mogelijke familienaam in gebruik. De naam Drost kwam dan ook naar alle waarschijnlijkheid van buiten de familie.

Het Karthuizerkerkhof in de Jordaan.
Spotprent op Dus leeft men naa de dood, waarbij een aantal grafzerken op het Karthuizerkerkhof een rol spelen. Circa 1723-1737.
Bron: Stadsarchief, inv. 010097004377.
Al met al mogen we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid concluderen dat de naam Drost niet eerder dan in de 18de eeuw in de familie kwam. Pas na de dood van Gijsbert in 1709 zouden zijn kinderen en zijn vrouw Annetje de achternaam Drost gaan dragen en het is nog maar zeer de vraag of zijn zoon Joannes de achternaam Drost veel gebruikte. Hij bediende zich weliswaar van de achternaam Drost toen hij in 1727 trouwde, maar toen hij een jaar later zijn poortereed aflegde, liet hij zich registreren als Jan Gijsbertsz en liet zijn nieuwe achternaam achterwege. De naam Drost lag toen blijkbaar nog niet zo hecht verankerd in de familie. Dit alles zal misschien wat ontluisterend overkomen bij diegenen die het aloude verhaal zo mooi vonden dat de familie Drost zou afstammen van een hoogwaardigheidsbekleder als de Drost van Muiden. Dat is dan jammer. De auteur geeft er echter de voorkeur aan, gelet op de resultaten van zijn onderzoek, zich van dit soort verhalen te distantiëren. De geschiedenis van de Amsterdamse familie Drost onder de naam Drost begint genealogisch gezien in 1709 in de de Jordaan. Het is niet anders.
Een familiewapen?
Er circuleert een wapen in de familie der Amsterdamse Drosten. De auteur wist omstreeks 1990 het links afgebeelde met de hand getekende wapen te verwerven, alsmede een versie die kennelijk uit een boek over heraldiek was gelicht. De naam Drost stond er in neo-Gotische letters onder gedrukt. Vooral dat laatste wapen zag er overtuigend uit. Ethne, de echtgenote van de auteur was dermate opgetogen over het familiewapen, dat de auteur een zegelring voor haar liet graveren.

Wapens die circuleren bij de Amsterdamse Drosten in dit boek.
Eenmaal diep verweven met het onderzoek over de familie Drost, ging de auteur alles onderzoeken wat er op zijn weg kwam en zo hield hij op een goede dag ook het Drost-wapen tegen het licht. Inmiddels waren hij en zijn echtgenote lid geworden van de Studiegroep Geslachten Drost. Deze studiegroep die in 1992 werd opgericht, meldt dat uit onderzoek is gebleken dat er maar liefst meer dan 25 verschillende families Drost bestaan waarvan geen onderlinge relatie is aangetoond. Ze zitten overal in het land verspreid. Mensen die de achternaam Drost dragen zijn dan ook dikwijls geen familie van elkaar.
Slechts van drie takken is een officieel familiewapen bekend. De Studiegroep Geslachten Drost gaf in het Mededelingenblad no.1 jaargang 15 een beschrijving van deze drie officieel geregistreerde Drost-wapens, namelijk die van de familie de families Drost uit Haastrecht, Surhuisterveen en Tricht, waarvan het wapen van de Haastrechtse Drosten het oudst bekende wapen is.
Hieronder het wapen van de Drosten uit Tricht vanwege de gelijkenis met het wapen dat circuleert bij de Amsterdamse Drosten die in dit i-boek worden belicht. De kinderen van Herman Drost (1674 – 1744) en Aaltje Jacobs van der Sandt voerden het Trichtse wapen. Het wapen is geregistreerd door de afdeling Heraldiek van de Nederlandse Genealogische Vereniging en gepubliceerd in het Heraldisch Tijdschrift 1996/4 en in Gens Nostra 1996, blz. 490. De beschrijving bij dit wapen luidt:
Wapen: Gevierendeeld; I en IV in rood een gouden zandloper met glas en vleugels van zilver (fam. Drost); II en III in zilver twee beurtelings gekanteelde dwarsbalken met op de bovenste balk twee toegewende hanen, alles van rood (van de Sant).
Helmteken: de zandloper van het schild.
Dekkleden: rood, gevoerd van zilver.

Wapen toebehorend aan de familie Drost uit Tricht.
Als we bij de drie hierboven afgebeelde wapens de helm, het helmteken (de zandloper bovenin) en het dekkleed (de gekrulde ornamenten) weg denken en alleen het schild overhouden, valt er een grote gelijkenis te zien met de bovenste twee afbeeldingen en het Drost-wapen van Tricht. Alleen zitten bij dat laatste wapen de vleugels bij de zandlopers in het midden en bij de bovenste twee wapens aan de bovenkant.
Verder kwam er een wapen boven water dat wordt aangeduid met ‘Drost Amst.’. Dát wapen heeft de vleugels weer bovenin en strookt dus helemaal met de twee bovenin afgebeelde versies. De afbeelding komt uit de collectie van Muschart in het Centraal Bureau voor Genealogie, ’s-Gravenhage.

Tenslotte is er een gebrandschilderd Drost-wapen te zien in het burgemeestersraam in de Oude Kerk in Amsterdam en dat wapen is weer indentiek aan het Trichtse Drost-wapen, dus met de vleugels in het midden van de zandloper. Er zijn dus twee op elkaar gelijkende wapens in omloop waarbij het belangrijkste verschil zit in de plaats van de vleugels, maar volgens een woordvoerder van het Centraal Bureau voor Genealogie ‘maakt de positie van de vleugels aan de zandloper niet werkelijk uit’. Hieronder het gebrandschilderde Amsterdamse burgemeestersraam.

Blijven twee vragen over: wat doet dat Drost-wapen in dat burgemeestersraam en wat hebben ‘onze’ Amsterdamse Drosten met dat wapen te maken?
Volgen we de familie Drost uit Tricht, dan zien we dat Hermanus Drost uit Vianen, kleinzoon van de eerder genoemde Hermanus Drost uit Tricht in 1765 in Amsterdam trouwde met Anna Geertruy Buedingh uit Amsterdam. Hermanus werd een jaar later poorter van de stad. Hij was koopman in vetten en dreef met zijn broer onder de naam Buedingh en Drost een handel in boter en vlees, voornamelijk gezouten vlees voor de proviandering van zeeschepen. Tevens dreef hij onder de naam H. en J. Drost een houthandel, het meest ten behoeve van de scheepsbouw. Hermanus Drost was niet alleen koopman maar was tevens politiek geëngageerd. Als gematigd Patriot werd hij in 1796 een der 60 leden van de Amsterdamse gemeenteraad en behield die post met een paar jaar onderbreking tot 1808. Hij had zitting in verschillende raadscommissies en was een van de vijf wethouders van Amsterdam van 1806 tot 1808. Hermanus Drost werd bijna 90 jaar oud. Bij het te boek stellen van de benoemningen van de wethouders, nam de Gemeente Amsterdam de wapens van deze wethouders op. Dat van wethouder Hermanus Drost staat hieronder afgebeeld.

Het is deze uit Tricht afkomstige Drostentak aan wie het wapen toebehoort dat zowel in gebrandschilderde vorm het burgemeestersraam siert in de Oude Kerk als dat als ‘Drost Amst.’ voorkomt in de collectie van Muschart. Er is geen andere Drostentak uit Tricht bekend in Amsterdam die een afwijkend wapen zou kunnen wettigen met een andere plaats van die vleugels. Beide varianten vertonen de duidelijke kenmerken van een Trichts Drostenwapen. Bovendien, de positie van de vleugels ‘maakt niet werkelijk uit’, aldus de woordvoerder van het CBG, een bewering die wordt ondersteund door een nazaat van de Trichtse Drosten die wist te melden dat er een wapentekenaar is geweest die vroeger een vergissing zou hebben gemaakt met de plaats van de vleugels. Dat wapen zou een eigen leven zijn gaan leiden, maar is en blijft een rechtstreeks afgeleide variant van het Trichtse wapen. Verder is er door een in 2008 gestart DNA-onderzoek van de leden van de Studiegroep Geslachten Drost aangetoond dat de Trichtse Drosten en de Amsterdamse Drosten die in dit i-boek worden belicht, geen verwantschap met elkaar hebben.
Gelet op bovenstaande bevindingen kan de auteur niet anders concluderen dan dat de in zijn boek belichte Amsterdamse Drostenfamilie niets met het Trichtse wapen of met welke variant daarop dan ook te maken heeft.
In de heraldiek wordt het zich wederrechtelijk toe-eigenen van andermans familiewapen usurpatie genoemd, maar och, wie weet was de ondeugende Amsterdamse Drost alleen maar gecharmeerd van dat mooie wapen dat hij in het burgemeestersraam in de Oude Kerk van zijn geliefde hoofdstad had gezien of in een van de boeken over heraldiek en wilde hij zoiets ook zelf aan de muur hebben hangen. Het zij hem vergeven en de Drosten-dames die in het bezit zijn van een zegelring met dit wapen, zullen hun dierbare kleinood waarschijnlijk met evenveel liefde als een dierbare herinnering blijven koesteren.
|
Annetje Drost bleef aan de eerste Leliedwarsstraat wonen. Ze was getuige bij de huwelijksintekening van haar dochter Giertje in 1714 en werd grootmoeder van vijf kleinkinderen, maar moest tevens meemaken dat diezelfde dochter Giertje in 1726 op jonge leeftijd in het kraambed stierf. Nog geen jaar later, in juni 1727 stierf ook Annetje Drost zelf, slechts enkele weken voordat haar zoon Jan Gijsberts zou gaan trouwen. Ze werd begraven op het Karthuizerkerkhof dat later het Karthuizerplantsoen werd.
Het jaar 1727 werd gekenmerkt door een opvallend hoog sterftecijfer in Amsterdam. Vermoedelijk was er sprake van een griepepidemie, al dateert het woord griep van enkele tientallen jaren later. Voor het Karthuizerkerkhof was 1727 een druk jaar. Werden er in de maand juli toen Jannetje heenging nog 135 mensen begraven, de volgende maand was dat reeds het dubbele en twee maanden laten het vijfvoudige! In dat jaar bezweek ruim zes procent van de Amsterdamse bevolking.
Het Karthuizerkerkhof bood een laatste rustplaats aan Gijsbert, zijn twee vrouwen Marritje en Jannetje en vrijwel al zijn kinderen. Drie zoons bleven over, waarvan Floris passementwerker werd. Hij maakte afwerkingsbanden, galonnen en koorden voor allerhande kleding en de stoffering van meubilair. Soms was dat boordsel doorvlochten met zijde of gouddraad, al naar gelang de wens van de klant. Passementwerker Floris trouwde, maar liet geen kinderen achter. Over de jongste zoon Flip werd sinds het overlijden van zijn moeder vrijwel niets meer teruggevonden. Het was de oudste in leven gebleven zoon Jan die de lijn van de familie Drost zou voortzetten.

Jan
Jan Gijsbertsz werd op woensdag 25 april 1703 in de Amsterdamse Noorderkerk gedoopt, groeide op in de Jordaan en leerde voor schoenlapper. Hij zal een leven hebben geleid in de lijn van zijn vader: hard werken voor een karige boterham. Ook van hem weten we door het ontbreken van de archiefstukken van het Oude Schoenmakers- en Schoenlappersgilde niet of hij van dat gilde lid is geweest, maar het ligt wel in de lijn der logica. In ieder geval zal Jan de gevelsteen in de Hametersgang niet vaak meer hebben aanschouwd, want na 1713 was het gilde der schoenlappers verhuisd naar een kamer in het Waaggebouw op de Nieuwmarkt. Dat zal waarschijnlijk niet uit weelde zijn gebeurd.

De Waag op de Nieuwmarkt waar onder meer het Oude Schoenmakers- en Schoenlappersgilde zijn onderkomen had. Beweeg met de muis over de tekening om de Nieuwmarkt nogmaals te zien vanuit de Zeedijk, de buurt waar Jan Drost jarenlang woonde. In de achtergrond zijn de Kloveniersburgwal en de Zuiderkerk te zien. Let op, het kan heel even duren voordat het andere beeld verschijnt.
Tekening van Reinier Vinkeles uit 1764. Bron: Stadsarchief, inv. 010001000502.
(Onderliggend beeld) Tekening van Jan de Beijer. Bron: Stadsarchief, inv. 010094001441.
Overigens had het gilde jaren van hoogtij gekend. Zo waren er in 1643 tijdens de grote stadsuitbreiding door de overlieden vier zilveren begrafenisschilden besteld bij zilversmid Jacobus Grill en in 1663 was de gevelsteen vervaardigd, zo blijkt uit overlevering. Op de gevelsteen en de zilveren schilden staan dezelfde elementen: een mannenschoen uit het midden van de 17de eeuw, geflankeerd door een gekroonde els en een krom schoenmakersmes. De begrafenisschilden bevinden zich in het Amsterdams Historisch Museum. Het is heel wel mogelijk dat ze ooit zijn gebruikt bij het ten grave dragen van vader Gijsbert en zoon Jan. Die gildenbroeders zullen ook wel, zoals destijds te doen gebruikelijk, een gildenpenning in bezit hebben gehad, maar zo’n penning werd geen eigendom en moest na overlijden door de nabestaanden van de dode gildenbroeder worden teruggegeven aan het gilde. Dat gebeurde trouwens niet altijd, zoals wij in het volgende hoofdstuk zullen zien.

Ondertrouwakte van Jan Gijsbertse Drost van 8 augustus 1727.
Bron: DTB 566 fo: 389, Stadsarchief.
Waarschijnlijk heeft schoenlapper Jan een werkplaats aan huis gehad. Hij woonde aan de Egelantiersgracht toen hij zijn geliefde ten huwelijk vroeg. Dat was de twintigjarige Grietje van Elsland, dochter van een lijndraaier uit de Jordaan. Ze gingen in ondertrouw voor de kerk op 8 augustus 1727. Jan liet zich toen registreren als Jan Gijsbertse Drost, dus in de oude patroniemvorm, maar aangevuld met de nieuwe familienaam.

Zeventiende-eeuwse huizen aan de Egelantiersgracht, getekend in het begin van de 20ste eeuw.
Prent van L.W.R. Wenckebach, 1907. Collectie auteur.
Zo beschermd als het produceren en repareren van schoeisel was in Amsterdam, zoveel beunhazerij was er in de sector die zich om het medische aspect van de voet diende te bekommeren. In een van de exemplaren van de Oprechte Haerlemsche Courant die tijdens de ondertrouwweken van Jan en Grietje verschenen, stond de volgende advertentie:

Wie last had van ‘het pootje’, werd dus op zijn of haar wenken bediend...
Jan en Grietje kregen tien kinderen, waarvan de eerste vijf jong zouden overlijden. Inmiddels waren de echtelieden weggetrokken uit hun huis aan de Egelantiersgracht in de Jordaan naar de Zeedijk en betrokken het tweede huis van de Stormsteeg in het hartje van de oude stad, op een steenworp afstand van het Waaggebouw op de Nieuwmarkt waar de kamer van het Oude Schoenmakers- en Schoenlappersgilde zich bevond. Ze woonden in het hoekhuis van Michel Godijn en Catrine Schop. Dat waren bekenden van hen die getuigen waren geweest bij de doop van Jannetje, hun derde kind in 1731, en het is heel wel mogelijk dat ze toen zijn verhuisd.
Van de vijf overige kinderen die aan de Stormsteeg werden geboren, bleven er vier langere tijd in leven, dat waren drie dochters en een zoon. Die zoon heette Gijsbert en werd geboren in januari 1740. Het vroor dat het kraakte. Rond zijn geboortedag verscheen er in de Oprechte Haerlemsche Courant een advertentie:

In die tijd was er blijkbaar nog geen reclamecodecommissie, want twee dagen later adverteerde ‘Boekverkooper Jacobus van Heun op de Lely-gragt’ hetzelfde wondermiddel, ditmaal als ‘BRAZILIAANSCHE BALSEM’. De tekst van de kaaskoper had hij vrijwel letterlijk gekopieerd, maar wel meteen wat foutjes weggepoetst. Daar was hij dan ook boekverkoper voor.

Detail van de plattegrond van Amsterdam 1737 met de kruising Zeedijk - Stormsteeg omcirkeld. De kaart staat naar onze huidige maatstaven op zijn kop, d.w.z. het noorden is onderin. Links boven de Nieuwmarkt met de Waag.
Detail van de plattegrond van Amsterdam, kopergravure door G. de Broen, Amsterdam (1737). Bron: Universiteit van Amsterdam, inv. 105.03.01.
Het was inderdaad een zeer koude maand. Nu kenmerkte de 18de eeuw zich toch al door strenge winters, maar die van 1740 was wel heel bar en boos. Op 10 januari, de geboortedag van Gijsbert, lagen alle Amsterdamse grachten potdicht en werd er alom geschaatst. Nog geen veertien dagen later kon je met de koets tochtjes maken, niet alleen over de grachten, maar ook over de rivier de Amstel. In de Saturdagse Krant van 16 januari was de kou zelfs echt nieuws. Temidden van staatszaken en gewichtige buitenlandse berichten werd zowaar een staatje afgedrukt met gemeten temperaturen in Haarlem op 15 januari. De krant deelde deze ‘naauwkeurige Waarnemingen mede aan de Liefhebberen der Natuurkunde, gedaan op de THERMOMETER van den Hr. Farnheid door den Hr Nicolaas Duyn, Medelid van het Collegium Physicum & Mathematicum binnen deeze stad’. Van 4 tot en met 14 januari waren er zowel overdag als ’s avonds alleen maar temperaturen van beneden het vriespunt gemeten, van strenge tot zeer strenge vorst, zelfs tot beneden 0 graden Fahrenheit, dus niet ver boven -20 graden Celsius. Onder het staatje stond de grootste boosdoener vermeld: ‘De Wind heeft van den 5den tot den 13den dezer geduurig na genoeg Oost met een buytengewoone kracht gewaayd’.

De door enkele tientallen paarden getrokken ijsbreker, ingezet op de Amstel tijdens de strenge winters. Aan de overzijde van de Amstel de Weesperzijde met uitspanning Lokhorst en herberg de IJsbreker waar de speciale boot zijn vaste stalling had.
Prent Winter Vreugde op den Amstel en ‘t gaan der Ysbreekers en der Waterschuiten. Getekend door T. van der Horst.
Amsterdam (1730-1735) bij P. Schenk, uitgever. Bron: Stadsarchief, inv. 010094008237.
Inmiddels had het ijs een dusdanige dikte bereikt dat de ijsbreker er geen raad meer mee wist. Die ijsbreker werd ingezet om het open water van Amsterdam naar de Vecht bevaarbaar te houden voor de waterschuiten, want die moesten elke dag heen en weer kunnen om schoon Vechtwater - nou ja, schoon - te kunnen innemen. Immers, het Amsterdamse grachtwater was al jarenlang absoluut ondrinkbaar. Niet alleen de burgerij had belang bij een vlotte gang van zaken rond de waterschuiten, maar ook de bierbrouwers. Zelfs meer dan twintig sterke paarden zagen geen kans meer om de ijsbreker zijn werk te laten doen, zodat er door de brouwers werd overwogen om de vaargeul met de hand open te houden door het ijs weg te zagen. Inmiddels steeg de nood tot ongekende hoogten en werden er woekerprijzen gerekend voor een emmertje drinkwater. Relletjes waren het gevolg. Gelukkig trad er in februari even wat dooi in, maar daarna sloeg Koning Winter opnieuw toe en bleef het ijskoud tot in mei. Wie ziek werd, was niet best af, al adverteerden de kwakzalvers er nog zo lustig op los.

Al dat fraais mocht de meeste stakkers niet baten. Vooral veel kinderen en ouderen stierven door gebrek en kou. Magdaleentje Drost, het vijfde kind van Jan en Grietje zou die winter niet overleven. Het vroor dat het kraakte toen ze op vierjarige leeftijd in maart stierf.
Schoenlappers hadden het in die jaren niet best en konden niet altijd hun gildecontributie voldoen. Het jaar 1740 met al zijn ongemakken maakte de zaak alleen nog maar erger. Het gildebestuur stelde dat jaar een rekwest op waarin de overlieden klaagden over het optreden van een aantal gildeleden, die bij de invordering van de jaarzangen zich niet ontzagen de gildeknecht en zelfs de overlieden ‘onordentelijk met scheld en vloekwoorden te bejegenen, maar ook denselven door het trecken van het mes en sware bedrijgingen te verjagen en te vervolgen, ofte wel andersints deselve aan hunne huijsen of woningen, en ook wel aan het comptoir door schelden als andersints qualijk te bejegenen’.

Ordonnantie, uitgegeven door de Stad Amsterdam in 1734 ter bescherming van de aldaar gevestigde schoenmakers.
Voor Jan Gijsbertsz Drost en zijn vrouw Grietje waren er vier kindermonden te voeden. Of Jan aan de kost kon komen met alleen maar schoenlappen, valt te betwijfelen. Reeds in de tijd dat zijn vader werkte, had menige schoenlapper een bijbaan. Behalve als verklikker voor de stadsreiniging, was zo’n man dikwijls kruier, altijd paraat voor het verrichten van allerlei diensten zoals het wegbrengen of ophalen van kisten, pakjes en geld. Geleidelijk aan was het kruien het belangrijkste nevenberoep geworden en zo hadden veel schoenlappers bij hun hokjes, pothuizen of werkplaatsjes een kruiwagen staan.
De Amsterdamse kruier
Een bijbaan van de schoenlapper
De Amsterdamse kruier was in de 18de en 19de eeuw een bekende verschijning. In zijn linnen kiel en met een zeel over zijn schouder als draagriem voor zijn kruiwagen, zat hij in zijn pothuisje schoenen te lappen en te wachten op een ‘vrachie’. In 1731 verscheen het boek Economische Liedjes van Betje Wolff en Aagje Deken. Zij schilderen ons de eerlijke en oneerlijke kruier. De eerlijke zegt:


De Eerlyke Kruyer, afgebeeld in ‘Economische Liedjes’ door Betje Wolff en Aagje Deken.
Uit Bloemlezing uit de Economische Liedjes door J. van Nieuwenhuizen. ’s-Gravenhage (1963).
Zelfs al gaat zijn vrouw uit werken als schoonmaakster, het blijft armoe troef, terwijl daarentegen de rijke kruier zijn ledige tijd doorbrengt met niets doen, rijk gekleed gaat en een goed leventje leidt.
Die zegt:

Kruiers waren overal en altijd nodig, maar ze werden zelden vastgelegd. Schilders zetten liever romantische doorkijkjes, statige panden, rijke families en hoge heren op het doek dan een simpele kruier. Op de talloze schilderijen en tekeningen die de afgelopen eeuwen in Amsterdam werden gemaakt, zijn niet erg veel kruiers te bekennen en ze speelden altijd een kleine bijrol. Het waren arme slovers die daar toevallig liepen.

Een kruier op de Dam achter een kruiwagen met hondentractie.
Uitsnede van een tekening van R. Vinkeles, 1787. Stadsarchief, inv. 010001000769.
In 1783 schilderde Isaak Ouwater de Herengracht. Wie goed oplet, ontwaart een kruier ter grootte van nog geen twee centimeter. Alleen met een loep is op dat doek een kruier te bekennen...

Een kruier op de Herengracht nabij de Leidsegracht in 1783.
Zeer klein detail van een olieverfschilderij op doek door Isaac Ouwater, 1783.
Amsterdams Historisch Mus., inv. SB 4507.

Een kruier passeert de oude poort van het Dolhuis aan de Kloveniersburgwal.
Tekening van H.P. Schouten, 1792. Stadsarchief, inv. 010001000520.
De kruier had veel klandizie bij de gegoede stand die altijd wel pakjes te halen of te brengen had, of geld. De kruier genoot een groot vertrouwen. Een typisch rijkeluisklusje was het ophalen van de klerenmand om die op het klerenveer te bestellen. Geleidelijk aan werd de kruier van een pakjesdrager tot een manusje van alles die voor alles inzetbaar was. Hij kon cokes kloppen tot hij zwart zag, maar ook in een keurige jas en met hoed de postillon d’amour voor jonge geliefden zijn. Hij verhuisde hele gezinnen en chaperonneerde jongedames als ze een avondje uit wilden, kende de weg en wist alle weetjes in de stad. Een goedkope duvelstoejager of, zoals men zei, een man die voor een dubbeltje zijn beenen aan ieder, die ze vergt, moest lenen.

Een schoenlapper in zijn pothuisje, midden negentiende eeuw. Zijn reclamebord diende grondig te worden hertaald en vermeldt: ‘Jan de Kruyer. Klopt en legt tapijten. Stuurt dekens naar de volmolen’.
Prent van omstreeks het midden der 19de eeuw. Stadsarchief, inv. 010097005704.
De bekende Amsterdamse chroniqueur Justus van Maurik geeft een pakkende beschrijving van de kruier anno 1883: ‘Zijn ledige tijd besteedt hij aan het maken van vogelkooitjes, die hij verloot. Ook verkoopt hij loten van de staatsloterij. Elke Zaterdag komt het kruiersbriefje, waar op o.a. regelmatig aangetekend staat: “De jonge juffrouw gehaalt en aengekleet 28 cents”. Het aengekleet betrof het costuum van de kruier en wilde hetzelfde zeggen als het “met de lakense arm”, waarmee een oude dame zich nog weet te herinneren in haar jonge dagen door de kruier afgehaald te zijn. De kruier trok voor dergelijke boodschappen zijn nette jas aan en moest daarvoor natuurlijk extra betaald worden’.
|
Er was veel concurrentie, zowel op het gebied van schoenlappen als van kruien. Bij het gilde ging steeds meer wanorde heersen en werd er door de leden geklaagd over de wantoestanden. Regels zouden met voeten worden getreden, en als er om inzage van de ordonnanties werd gevraagd, werd dat geweigerd. Verder liep het aantal leden dat geen poortersceel had de spuigaten uit en zouden de overlieden te weinig werk maken van het innen der jaarzangen. De overlieden verdedigden zich door te stellen dat het innen soms ondoenlijk was door brutaal gedrag van de schoenlappers en dat het gilde voor het grootste deel bestond ‘uit geringe en minvermogende burgers, zig geneerende met het lappen en repareeren van oude schoenen en muijlen en wat dies meer tot het werk van het schoenlappersgilde betreffende zij’ en dat zij weinig anders konden dan het inschrijven zonder poorterbewijs oogluikend toe te staan.
Inmiddels was er concurrentie gekomen uit de hoek van de schoenmakers die hun verkoop zagen teruglopen door import van goedkoop schoeisel van buiten de stad, zodat menige schoenmaker zich tevens met het schoenlappen moest gaan bezighouden. Het maakte de spoeling allemaal dun. Langzaam maar zeker begon het kruien voor de meeste schoenlappers de hoofdverdienste te worden, een situatie die is blijven bestaan tot in de 19de eeuw. Toen in 1812 het Oude Schoenmakers- en Schoenlappersgilde werd opgegeven, waren er meer kruiers dan schoenlappers aangesloten. Dat Jan Gijsbertsz Drost daadwerkelijk kruierswerk heeft gedaan is alleszins waarschijnlijk. Wat zou hij veel sappige anekdotes over oud Amsterdam hebben kunnen vertellen, maar rijk zal Jan niet zijn geweest. Veel handwerkslieden zoals hij stierven arm en moesten Pro Deo worden begraven. Rijk waren de meeste kruiers immers niet. In het belastingkohier van 1742 komt geen kruier en geen schoenlapper voor.
Hoe, waar en wanneer schoenlapper Jan afscheid nam van het leven, kon niet meer worden teruggevonden. Nergens in de Amsterdamse archieven werd ook maar iets van zijn overlijden of begraven aangetroffen. Ouder dan 69 jaar is hij niet geworden, want toen zijn vrouw Grietje in 1772 in haar huis in de Stormsteeg stierf, was zij reeds weduwe. In die tijd was er nog geen burgerlijke stand met een meldingsplicht bij levenszaken als geboorte of overlijden. Overleed er iemand, dan werd die in het begraafregister van de kerk waartoe de overledene behoorde bijgeschreven en begraven. Jan Gijsbertsz Drost en zijn vrouw waren beiden gedoopt en hun kinderen waren dat eveneens en we mogen er derhalve van uitgaan dat Jan op een goede dag niet meer is thuisgekomen. Het kan zijn dat Jan is overleden buiten de stad en ergens als onbekende zal zijn begraven. Identiteitspapieren waren er toen amper en een arme drommel als Jan Gijsbertsz Drost had die zeker niet op zak. Ook is het mogelijk dat Jan in de winter te water is geraakt en onder het ijs van een van de grachten terecht is gekomen. Als zo’n lijk dan na maanden boven water kwam, was er natuurlijk geen herkennen meer aan. Zo verdween menigeen in die tijd geruisloos en anoniem van het aardse toneel. Voor de arme weduwe zullen de zorgen alleen maar zijn toegnomen en een uitgebreide zoektocht naar haar vermiste man zal ze zich, gezien haar krappe financiële omstandigheden, niet hebben kunnen veroorloven.
Gijsbert
Zoon Gijsbert Drost groeide dus op in oud-Amsterdam, niet ver van de bedrijvigheid van de haven waar hij de talloze vrachtschepen kon zien komen en gaan. Hij hoefde niet lang te lopen en hij kon de typische luchtjes van de drukke haven opsnuiven.

De buurt waar Gijsbert Drost dichtbij woonde. De voormalige (Nieuwe) Baangracht (Nieuwe Lijnbaansgracht), gezien naar de schutsluis in de Nieuwe Zeedijk, nu het oostelijk einde van de Hoogte Kadijk. In de achtergrond de binnenste van de twee Stadsvuilwatermolens.
Tekening: pen en penseel, van T. Regters, 1759-1768. Stadsarchief, inv. 010097002102..
Amsterdam moet er in die jaren op veel plekken bijzonder pittoresk hebben uitgezien. Er stonden overal stokoude panden, soms nog uit de Middeleeuwen en heel af en toe zelfs nog van hout. Eigenlijk was Amsterdam reeds toen één groot monument, al had niet iedereen daar oog voor en zou er in de 19de eeuw heel wat moois worden afgebroken ten faveure van nieuwe gebouwen en brede wegen. Gelukkig woonden er in Amsterdam veel kunstschilders, zodat de latere generaties zich nog steeds terug kunnen wanen in de tijd van Gijsbert Drost van de Stormsteeg.

De Nes nabij de Sint Pieterspoortsteeg in 1774.
Tekening door H.P. Schouten, 1774. Stadsarchief, inv. 010001000542.
Oud Amsterdam was mooi en inderdaad schilderachtig. Menige gevelsteen prees met verve de waren of diensten aan die binnen werden geleverd en we kunnen ze vaak nog in al hun oude glorie bewonderen. Overal in de stad waren uithangborden boven de deuren, soms als strak vierkant bord aan een eenvoudige of gekrulde staak, in navolging van een uitgestoken banier, maar ook hangend aan fraai, met de hand gedreven smeedwerk, soms nog afkomstig van Vlaamse slotenmakerijen uit de zestiende eeuw.

Rookwaar, een populair thema.
Preegdruk in goudfolie op de omslag van De Uithangteekens door J. van Lennep, Amsterdam (1868). Collectie van auteur.

Het Sint Pieterspoortje gezien vanaf het Rokin. Bij herberg Het Veerhuis van de Watergraafsmeer staat het ‘Vrij Wijn en Mee‘ aangekondigd aan het uithangbord en ten overvloede op een bord onder het raam.
Tekening van H.P. Schouten van 1796. Stadsarchief, inv. 010001000532.
De herbergen en logementen zag je overal met de meest wonderlijke namen. Daar kon de dorstige klant Vry Wyn, Mee en Mol krijgen. Mee was een populaire alcoholische drank die uit honing werd bereid en mol was geestrijk gerstenat dat in grote hoeveelheden door de Amsterdamse kelen gleed. Deze dranken waren uiteraard allerminst ‘vrij’. Het woord betekende dat de tapper aan het recht had voldaan en dus vrijheid had om wijn te verkopen, dit in tegenstelling tot den sluiker- of smokkeltapper aan wie het niet toegestaan was om gelagen te zetten. Maar uiteindelijk was het wél de klant die het gelag betaalde.
De bedenkers en de schilders van al die uithangborden borrelden over van de inventiviteit. Ervoor zorgen dat je opviel was ook toen al een van de trucs die een rechtgeaard koopman toepaste. Spreuken, rijmpjes en afbeeldingen van dieren deden het altijd goed. Natuurlijk kwamen de Hollandse geneugten ruim aan bod en de uithangborden van tabakswinkels waren dan ook legio, zoals d‘ Hollantse Damper en De Rookende Moor. Dan waren er de bordjes zonder opsmuk, zoals dat van de oude vrouw die aan huis een schooltje had waar kinderen op de saaist denkbare wijze de letters van het alfabet leerden opdreunen en waar de meisjes breien konden leren. Dat de bedenkster van het bordje voor School en Breien het Amsterdamse dialect beheerste, is overduidelijk, want de tekst van het bordje toonde de veelzeggende woorden Schol en Braje. Of ze haar leerlingen onder het breien ook nog in fatsoenlijk spellen onderwees, vermeldt de geschiedenis niet.

Bedrijfsetiket tevens reclamepamflet van Bianchi en Primavesi, Amsterdam.
Gedrukte uitvoering van een kopergravure. Ex-collectie van de auteur.
Andere uithangborden in oud Amsterdam waren die met de scheerbekkens en het grote barbiersmes, de enorme sleutel met naar boven gerichte baard, het suikerbrood van de bakkerij en andere geveltekens waarvan de vlag de lading dekte, zoals bij de schuitenverhuurder en de voddenkoper. Er werden allerlei waren en diensten aangekondigd voor hen die aan de haven of aan boord van de schepen werkten. Instrumenten hoorden daartoe, zoals sextanten en kijkers, maar ook weerinstrumenten. Zo’n handelaar had dan als uithangbord een barometer hangen. In de Amsterdamsche Courant van 25 november 1758 adverteerde: ‘Frans Primavesi op den hoek der Wijde Lombardsteeg, daar voorheen de stad Luik en nu de Barrometer uithangt, maekt bekend aen alle liefhebbers, dat hy maekt en verstelt allerhande soorten van weerglazen, baromeeters, en termomeeters van quik en spiritus, groot en kleyn. Hy zal zyn werk op de proef geeven en staet een jaer goed buyten breeken’.
Zijn zoon Lodewijk associeerde zich met Bianchi, een andere barometermaker van Italiaanse afkomst. De compagnons vestigden zich in de jaren 70 van de 18de eeuw in de Hoogstraat. Niet alleen barometers, maar ook allerlei andere natuurkundige instrumenten werden er verkocht, zoals een messing telescoop in een eikenhouten kistje dat de auteur ooit in zijn collectie had. In de deksel van het kistje zat het etiket geplakt van de firma waarop als adres het uithangbord werd genoemd: de Groene Bril.
Dan waren er de brillenmakers en de klokkenmakers die hun karakteristieke uithangborden hadden en niet te vergeten al die vleeshouwers, wijnkopers, komenijswinkels, koekverkopers, schilders, kleermakers, spiegelverkopers, schoenmakers, visverkopers, drukkers, kaashandelaren, kousenmakers, glazenmakers, smeden, koperslagers, zilversmeden, drukkers, hoedenmakers, verfverkopers, kaarsenmakers, parapluiemakers, kruiwagenmakers, lijstenmakers, ijzerhandelaren, zo ongeveer iedere neringdoende had wel een uithangbord.

Voor wie er oog voor had, lag de Amsterdamse gein voor het oprapen...
Wie op zoek ging naar de scheepstimmerwerven had geen uithangborden nodig, want de hoge masten van de schepen van de nog steeds machtige VOC torenden boven alles uit. Er was een grote scheepstimmerwerf vlakbij ’s Lands Zeemagazijn en het geluid van het gezwoeg der scheepstimmerlieden was niet van de lucht. Maar ook elders werd aan scheepsbouw gedaan zoals op het Bickers Eiland en aan de Hoogte Kadijk waar onder meer de werf ’t Kromhout zich in de jaren vijftig van de 18de eeuw vestigde.

Scheepstimmerwerf aan het Oosterdok met ’s Lands Zeemagazijn.
Tekening van circa 1700. Stadsarchief, inv. 010097010424.

De Admiraliteits scheepstimmerwerf en ’s Lands Zeemagazijn ten tijde van Gijsbert Drost.
Prent, eind 18de eeuw. Tekenaar P. Schouten, P. Fouquet jr., uitgever. Stadsarchief, inv. 010094002939.
Misschien dat al die fraaie houten schepen indruk op de jonge Gijsbert maakten, en bleef hij gebiologeerd staan kijken bij de vele scheepswerven die zijn stad rijk was. Waarschijnlijk trok het schoenlappersvak van zijn vader en grootvader met al het gesappel en de armoede hem niet zo bijster aan en zal hij er vast van gedroomd hebben zelf zo’n mooi vrachtschip te kunnen helpen bouwen. Die droom werd waar.

Tekening in bruine pen en penseel door Jan Luiken als voorstudie voor zijn Menselyk Bedryf, eind 17de eeuw. Bron: Amsterdams Hist. Mus.. Inv. A13363-A13467.
Op zijn achttiende moet hij al volleerd scheepstimmerman zijn geweest, want als zodanig liet hij zich registreren toen hij zijn poortereed deed en zijn geld betaalde aan de thesaurier. Dat was op 13 juni 1758, hetzelfde jaar waarin het Amsterdamse stadsbestuur aan historicus Jan Wagenaar opdracht had gegeven de geschiedenis van de stad te schrijven. Gelukkig was het besef gaan ontstaan dat rijkdom zich niet alleen beperkte tot het binnenslepen van geld uit de wingewesten, maar ook tot het koesteren en in ere houden van het culturele erfgoed uit vroeger eeuwen, van Middeleeuwen tot en met Gouden Eeuw, waardoor de stad Amsterdam zo uniek was geworden.
Gijsbert Drost ging in 1769 in ondertrouw met Catharina Claasen. Hij zal best aan de kost zijn gekomen, want al was de hausse in de scheepsbouw weggezakt, werk bleef er altijd. Naar schepen bleef hoe dan ook vraag, zeker in de hoofdstad die immers de naam had. Daarbij kwam het onderhoud van al die fluitschepen, boeien, barken, bommen, koffen, hoekers, snauwen, smakschepen, barkentijnen, brigantijnen, koopvaardij-buizen, galjoten, pinken, lichters en fregatten en nog vele andere soorten vaartuigen die soms nog uit de zeventiende eeuw stamden. Die schepen moesten van tijd tot tijd gekalefaat en gebreeuwd worden. Daar kwam van alles aan te pas, onder andere hete pek en uitgeplozen touw, en zo’n schip kreeg natuurlijk een stevige vernisbeurt. In het trouwjaar van Gijsbert lezen we in de Amsterdamsche Courant van 26 augustus:

Inmiddels waren de paar regels met ingezonden mededelingen in de kranten van die jaren uitgegroeid tot soms hele advertentiepagina’s. Boekdrukkers en makelaars streden om het hardst om de aandacht. Met de stand van de medische wetenschap bleef het maar kwakkelen, want kwakzalvers deden blijkbaar goede zaken. Naast wondermiddelen tegen scheurbuik die blijkbaar het scheepsvolk tot een aankoop moesten verleiden, werden nu ook pillen aangeboden tegen zinkvergiftiging en hoofdpijn. Hét middel voor de ploeterende vakman. Zo kon scheepstimmerman Drost een week voor zijn huwelijk lezen:

Gijsbert ging wonen op de Oudezijds Voorburgwal, ook wel de Fluwelenburgwal genoemd. In officiële stukken gebruikte hij afwisselend beide namen. Gijsbert bewoonde de Oostzijde. Of hij naast het uitoefenen van het scheepstimmermansvak nog andere bezigheden had, is niet bekend. Dergelijke dingen belandden doorgaans niet in de archieven en een register van bedrijven zoals wij dat tegenwoordig kennen, bestond toen nog lang niet.

Het Wijngaardstraatje vlakbij de haven, in bruin aangegeven.
Detail van de plattegrond van Amsterdam, kopergravure door G. de Broen, Amsterdam (1737). Bron: Universiteit van Amsterdam, inv. 105.03.01.

Begrafenisschild van het Gilde der Scheepstimmerlieden
Collectie Amsterdams Historisch Museum.
In 1776 woonde Gijsbert met zijn gezin in het Wijngaardstraatje bij de oude Achterburgwal, op minder dan een scheepsbeschuitworp afstand van de haven die voor deze Drosten-telg zo’n belangrijke rol speelde. Het gezin kreeg acht kinderen waarvan er tenminste drie langere tijd in leven bleven: de twee oudste jongens en een meisje. In die jaren werd Amsterdam geteisterd door een langdurige pokkenepidemie en kinderen stierven als witjes, zoals hun zoon Nicolaas. De andere vijf overleden vroeg of verscholen zich in de nevelen der archieven. Niet elke begrafenis werd op correcte wijze geregistreerd, al was het overlijden van een kind, ongeacht de leeftijd, in die jaren net zo’n aangrijpende gebeurtenis voor de familie als het dat heden ten dagen het geval is.
Met zijn loopbaan als scheepstimmerman had Gijsbert Drost zich weten los te maken van het gesappel en de armoede die zijn vader Jan en zijn grootvader Gijsbert Floriszoon hun hele leven moeten hebben gekend. Het geslacht Drost zat in een klimmende lijn, een lijn die zou worden voortgezet door Gijsberts zonen Jan en Roelof die de familie Drost nog beter uit de verf zouden doen komen, niet alleen in overdrachtelijke, maar ook in letterlijke zin, zoals de lezer in het volgende hoofdstuk duidelijk zal worden. Van deze twee zonen stammen alle na hen komende Drosten af die in het genealogiegedeelte op deze site vermeld staan.

Top
Hoofdstuk 1 Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 3
Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.
