Hoofdstuk 2 Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 4


Bert Bolle
Hoofdstuk 3
Wandeling langs een Tijdlijn - Weg uit de Armoede
De Drosten kwamen beter uit de verf
H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________
Men schreef het laatste kwart van de 18de eeuw, de roerige jaren van de strijd tussen de patriotten en de prinsgezinden, de tijd waarin het eerste stoomgemaal in Nederland in gebruik werd genomen en Aagje Deken en Betje Wolff de beroemde Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart het licht deden zien.
Jan Drost
Jan Drost, de oudste zoon van Gijsbert, werd in 1770 geboren. Hij bracht zijn jeugd door aan de Zeedijk waar niet alleen zijn ouders maar ook zijn tantes en ooms de kost verdienden. Zijn tante Jannitje was getrouwd met een kastenmaker die er zijn bedrijf had en waar tevens verf en toebehoren werden verkocht. Zijn andere tante, Leentie, was getrouwd met een schipper die tevens schilderwerken uitvoerde. Jan moet dikwijls over de vloer zijn gekomen bij zijn tantes en ooms, want toen hij zich als poorter liet inschrijven in 1792, gaf hij het beroep van verfkoper op. Een jaar eerder was de jongeman getrouwd met Grietje Vuyst, een meisje uit de Rijp en het is heel wel mogelijk dat hij haar heeft ontmoet tijdens een van zijn vaartochten. Misschien voorzag hij zijn klanten van verf, misschien was hij toen al werkzaam als binnenschipper, een beroep dat hij tot aan zijn dood zou uitoefenen.
Jan en Jannitje kregen zeven kinderen waarvan er enkele jong overleden of uit het zicht verdwenen. Drie zoons bleven in leven, trouwden en kregen nazaten. Dat waren Jan, Arend en Nicolaas.

In 1803 werd binnenschipper Jan Drost gildenbroeder bij het Gilde van de Kleine Beurtvaart en kreeg hij een penning overhandigd met het opschrift ‘Jan Drost de 1 Maand de 10 dag 1803’. De keerzijde stelde een koggeschip voor. Overigens deed de in 1795 erkende Bataafsche Republiek steeds meer van zich spreken. Zo kwam er in 1798 een Grondwet waarin met veel verouderde regels werd afgerekend en raakte de rol van de meeste gilden snel uitgespeeld, al hielden sommige tradities nog wel wat jaren stand. Met het Gilde van de Kleine Beurtvaart zal er ook wel zo’n overgangsperiode zijn geweest. Hoe dan ook, Jan kreeg dus in 1803 zijn gildenpenning en zou daar nog tien jaar de bezitter van zijn. Officieel heette zijn beroep ‘Utrechtsche schipper’. Zijn vaarroute bracht hem talloze malen langs ‘Zaenredam’, de Rijp, Beemster en Purmerend. De man zou in het harnas sterven. Op 22 maart 1813 maakte hij zijn tocht voor het laatst, en onderweg in de Beemster was hij onwel geworden. Hij moet nog kans hebben gezien de wal te bereiken en hulp te vragen, want hij stierf niet aan boord, maar in een woonhuis dat daar vlakbij aan het water stond. Zijn broer Roelof en zijn zwager deden een dag later aangifte in de gemeente Beemster. Binnenschipper Jan Drost was met zijn 43 levensjaren tamelijk jong gestorven en werd zelfs overleefd door zijn beide ouders. De tekst van het overlijdensprotocol luidt:
‘In het jaar een duizend acht honderd en tien den drie en twintigste van de maand van Maart zijn voor Herman Borghouts officier van de burgerlijke staat van den Gemeenten van den Beemster kanton Purmerend arrondissement van Hoorn departement der Zuiderzee gecompareerd den heer Roelof Drost oud een en veertig jaar van beroep Stadsschildersbaas broeder van de overledenen en den heer Wijnand Wessel Gerritszen oud vijf en dertig jaaren van beroep Schipper van Amsterdam op Gouda woonende binnen de gemeente van Amsterdam arrondissement van Amsterdam de welkens verklaart hebben dat op de twee en twintigste dezer lopende de maand de smiddags om twaalf uuren te huize Gozetje Vlug wed. Steven Reyers woonenden in het huis twee hondertagt en vijftig is overleden
Den Heer JAN DROST oud drie en veertig jaaren van beroep Vrachtschipper woonenden binnen de gemeente van Amsterdam op de Z. Agterburgwal bij het Kattegat gehuwd geweest zijnde met Grietje Vuyst, zoon van Gijsbertus Drost en Catharina Klaasen gewoond hebbende binnen de gemeente van Amsterdam en hebben dit verklaart ten onze,
nadat hun de acte was voorgelesen mede ondertekent
R Drost W.W.Gerritszen
H.Borghouts Maire’
Na het het overlijden van Jan is het blijkbaar niet meer van teruggave van de gildenpenning gekomen, zodat dit bijzondere relikwie in handen van diens nazaten kon blijven.
Roelof Drost
Jans jongere broer Roelof Drost werd in 1771 geboren. Ook Roelof zal net als zijn broer goed hebben rondgekeken in de bedrijfjes van zijn ooms en tantes, want hij werd schilder, waarbij het schilderen van rijtuigen zijn specialiteit werd. In 1792 legde hij de poortereed af als Schilder van Amsterdam. Roelof zou een succesvolle carrière maken als stadsschilder. Hij moet zich al spoedig enige welstand en aanzien hebben verschaft, want in 1797 lezen we bijvoorbeeld dat hij borg stond voor Waterschout Hendrik Noble.

Ondertrouwakte van Roelof Drost en Johanna van den Bosch van 13 juli 1798.
Bron: DTB 644 fo: 201, Stadsarchief.
In 1798 trad Roelof Drost in het huwelijk met Johanna van den Bosch van de Raamgracht. De 27-jarige Roelof woonde toen nog bij zijn ouders aan de Fluwelenburgwal. De jongeman bleek aardig ambitieus te zijn. Bij de gemeente Amsterdam wist hij als meester stadsschilder op te klimmen tot stadsglazenmakersbaas en Onderbaas van de stadsschilderswerkplaats. Hij stond rechtstreeks onder directeur Schilling van Publieke Werken, en zijn werkterrein was de Stadstimmertuin aan de Amstel.

Fragment van de personeelslijst van circa 1805 van de vaklieden in dienst van de gemeente met daarop vermeld Schilders-Onderbaas Roelof Drost.
Intussen kocht hij in 1800 een huis aan de Onbekende Gracht die vanuit de Stadstimmertuin liep van de Nieuwe Achtergracht naar de Nieuwe Prinsengracht, en de timmerwerven en de rasphuismolen toegang gaf tot de Amstel. In de notariële akte, opgemaakt in 1800, wordt deze gracht ‘het Onbekende of Amstelgragtje’ genoemd. Ook de benaming Korte Amstelgrachtje was in die jaren in zwang.

Bij de Stadstimmertuinen, gezien vanaf de Onbekendegracht.
Tekening van C.L. Hansen, 1815.
Bron: Stadsarchief, inv. 010001000746.
In de Verpondingskohieren uit die tijd is terug te vinden wat Roelof aan belasting voor zijn bezit moest betalen. Verponding is een belasting op het vastgoed. Hiertoe werd het perceel getaxeerd, hetzij als erf of als het was ‘volbouwd’, en daarna telkens na verbouwing. De taxateurs van de overheid stelden een waarde en een huurwaarde vast; deze waarden stonden veelal in een redelijk vaste verhouding tot elkaar. Roelof bleek in de periode 1802-1806 jaarlijks acht gulden te hebben moeten betalen voor zijn huis en erf, zijnde een twaalfde deel van de huurwaarde, en vier gulden voor emmer-, straat- en lantaarngeld. Het emmergeld was bestemd voor de materialen en diensten van de brandweer in die jaren.
Inmiddels was Roelof met zijn vrouw gaan wonen in de Stadstimmertuin, vlakbij de Amstel, op de ‘Plantagie Muidergracht 19 Kanton 1’. Daar was ook de Stadsverfwinkel die werd geleid door zijn adjunct die de kwalificatie ‘Commandeur in de Winkel’ droeg, ofwel beheerder van het gemeentelijke verfmagazijn. Wat er zoal in dat magazijn voorhanden was, laat een bestellijst ons zien uit 1809, opgesteld onder Roelofs supervisie. De Thesaurier der Stad Amsterdam gaf het groene licht aan de Commissaris der Publieke Werken voor het laten bestellen van: ‘Zoveele Ponden Loodwit, gemalen Kryt, gemalen Geele Ooker, Menie, Bruyn Oker, Mineraal Geel, Goudglid, Barnsteen, Dodekop, Lym, Zwartzel, Vemiljoen en zooveel Lym en Terpenton Oly als ten dienste van de Schilderswinkel by provisie zal nodig zyn, en naar maate dat, na advis van deskundigen, de tegenwoordige toestand, en de waarschynlyke loop der pryzen het zal doen raadzaam zyn’.
Ging Commandeur Willen van Es met een jaarloon van 332 gulden en 4 stuivers naar huis, zijn baas Roelof Drost kreeg heel wat meer in handen. Die genoot voor zijn positie als onderbaas een jaarloon van maar liefst 780 gulden, een prachtig salaris in die tijd. Roelof bleef overigens wonen in de Stadstimmertuin.
Misgelopen penningen?
Roelof Drost klom in de pen
Roelof had zijn financiën goed op orde en waakte ervoor dat hijzelf iets tekort kwam. In 1816 diende hij bij de thesaurier van Amsterdam een verzoek in tot het verstrekken van financiële compensatie voor extra werkzaamheden aan enkele gasthuizen. Op 26 maart 1816 verzond hij de volgende brief.

‘Aan de Wel Edele gestrengen Heer Thesaurier der Stad Amsterdam
Geeft met verschuldigde eerbied te kennen R: Drost stadsschilder en glazenmakersbaas dat hij requestrant voor dat de reparatie aan de gesubsidieerde gestichten door stads fabricagie werden gedaan voor het opmaken der bestekken voor het nasien van schilder en glazenmakers werk der bijde gasthuysen s jaarlijks heeft genoten 50 a 60 guldens het welk echter heeft opgehouden te bestaan zo dat deese bijde gestichten van stads wegen directelyk werden behandelt zijnde dit douceur hem nogtans van Heere Regenten in der tijd toegelegt dat ondertuschen zedert dat dat douceur is vervallen zijne werkzaamheden even als alle andere niet alleen voor een tijd zijn vermeerdert geworden maar ook dat aan zijn post is geaccrocheerd geworden het glas maken zelfs het welk bij de aanvaarding zyner post niet was verbonden en waar van de toesicht nog al aansienlyk is als mogende vylig s jaarlyks op 2000 guldens worden berekent dat het diensvolgens aan de Wel Edele gestrengen zal consteeren dat den suppliant het gemelde douceur ook thans is missende niet tegenstaande bij de gasthuysen niet meer dan stadsfabriekagie werden bedient waar door hy zig dus van dit wel is waar oppervlakkig beschouwd maar geringen doch voor hem groote som verstoken ziet weshalven zo keert hy zig Eerbiedig tot de Wel Edele gestrengen versoekende of de Edele gestrengen by t aanmerking van een en ander de goedhyd zoude geliefen te hebben hem eene renumeratie toeteleggen of wel zodanig favorabel voor den suppliant te zullen disponeren als de Wel Edele gestrengen in deszelfs wyshyd zal vermenen te behooren zal vermenen te behoren.
U Wel Edele gesterengen Dienaar
R: Drost
Amst. 26 Maart’ (Bron: Stadsarchief)
De thesaurier was Jhr. Mr G.G. Clifford, advocaat, commissaris van Amsterdam, later thesaurier en lid van de stedelijke raad. Hij was vervolgens werkzaam als lid van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en als minister van Nationale Nijverheid en Koloniën ad interim. Clifford stuurde de brief van Roelof Drost een dag na ontvangst voor advies door aan Abraham van der Hart, directeur Stadswerken en Gebouwen. Deze bracht op 9 april rapport uit aan de commissaris van Amsterdam en boog de wat stijve en draderige tekst van Roelof in soepeler Nederlands om en bracht er meer ambtelijke structuur in. Hij plaatste er wel een kanttekening bij, want Roelof zou in ruil voor de extra werkzaamheden vrij wonen hebben verkregen toen hij zijn functie aanvaardde. Tijdens de ‘Fransche overheersching’ had hij echter weer een tijdlang wel huur moeten betalen. Directeur van het Hart vond het verzoek van Roelof overigens terecht en adviseerde inwilliging. De commissaris bekrachtigde het positieve advies en stuurde zijn bevindingen op 26 april 1816 naar thesaurier Clifford die reeds de volgende dag een beslissing nam:
‘Gezien [...] Heeft de Thesaurier goedgevonden en verstaan om den requestrant niet tegenstaande aan denzelve in den jare 1811 reeds vrije wooning voor de meerdere werkzaamheden van het glazenmakerswerk is geaccordeert, met Vijftig guldens per Jaar meerder te belonen en tevens te bepalen dat hy requestrant in de maand Mey van ieder jaar, zich tot de verkryging daarvan zal wezen adresseren’.
Roelof Drost was in het gelijk gesteld en kreeg alsnog zijn gedorven penningen. Zakelijkheid en zorgvuldig omgaan met geld zaten reeds toen bij de Drosten in het bloed.
|
Wat Roelof met zijn huis aan de Onbekende Gracht heeft gedaan is niet overgeleverd, maar zijn riante inkomen stelde hem in staat zijn huizenbezit gestaag uit te breiden. Welk een contrast met zijn overgrootvader Gijsbert Floriszoon die nog maar een eeuw eerder de huur van een schamele woning in de Jordaan amper had kunnen ophoesten.
Roelof en Johanna kregen zes kinderen waarvan er een kort na de geboorte overleed. Twee zoons, Geijsbert en Johannes zouden de lijn van de familie Drost verder voortzetten. Roelof Drost bleef in zijn dienstwoning in de Stadstimmertuin wonen en stierf op 17 april 1827.

Overlijdensakte van Roelof Drost van 18 april 1827. Zijn zoon Hendrik was een van de aangevers.
In de rouwadvertentie, de oudst bekende rouwadvertentie van de Amsterdamse Drosten, staat het volgende te lezen:
‘Na een langdurig lijden ontsliep heden, in den ouderdom van 55 jaar en 5 maanden, mijn geliefde man, ROELOF DROST, in leven Onderbaas der Stads Schilders eb Glazenmakers-Werken. – Alle die den overledenen gekend hebben, zullen bezeffen wat ik, en mijne vijf kinderen en mijn behuwd kind aan hem verlies. JOHANNA DROST, geb. van den Bosch. Amsterdam, 17 april 1827. NB. Verzoeke van brieven van rouwbeklag verschoond te blijven’.
Roelof was bepaald niet onbemiddeld. Na zijn overlijden verhuisde Johanna naar de buurt waar ze vandaan gekomen was, de Raamgracht waar ze in 1845 overleed. Roelof liet zijn vrouw en vijf kinderen vier huizen na. De notaris specificeerde ze als volgt:
Een Huis en Erve in de Lange Leysche Dwarstraat Wijk 56 No 36011.
Een Huis en Erve in de Komkommerbuurt Wijk 15 No 6838 (De Komkommerbuurt was een door aldaar wonende joden in omloop gebrachte bijnaam voor het Korte Amstelstraatje).
Een Huis en Erve in de Korte Koningsstraat Wijk 11 No 3087.
De helft van een Huis en Erve op de Raamgracht Wijk 14 No 4661 .


Een dwerg-Drost

Soms waren de Drosten uit vroeger jaren tamelijk klein van stuk. Een extreem voorbeeld is Jan Gijsbertus Drost die in 1821 werd geboren. Hij was de kleinzoon van Jan Drost die binnenschipper was benoorden Amsterdam. Jan Gijsberts werd afgekeurd voor militaire dienst vanwege zijn lichaamslengte. Volgens de Militiegegevens was zijn lengte ‘1 el 6 duim, aangezicht rond, voorhoofd laag, ogen blauw, neus spits, mond gewoon, kin rond, haar bruin. Uit hoofde van zijn gebreken finaal vrijgesteld.’
Nu moeten we bij het lezen van dat woordje el niet meteen gaan denken dat Jan Gijsbertus nauwelijks met zijn hoofd boven de tafel uitkwam. In die jaren stond de el niet meer voor de bekende 69 cm, maar voor een meter. Het Franse bewind had Nederland laten kennismaken met het metrieke stelsel, en daar werd op voortgeborduurd. Toch wilde men geen afscheid nemen van de oude namen, en zo kreeg onder meer de aloude el een nieuwe lengte-eenheid.
Bij Koninklijk besluit van 29 maart 1817 werd het wijsgerig stelsel van maten en gewichten ingevoerd. De mijl werd een kilometer; de roede werd een decameter, de el een meter, de palm een decimeter, de duim een centimeter en de streep een millimeter. Deze laatste twee eenheden komen we zelfs tegenwoordig nog tegen! Hetzelfde gebeurde met de oppervlaktematen. De bunder werd een vierkante hectometer of hectare, een vat werd een hectoliter, een kan een liter, een maatje een deciliter en een vingerhoed een centiliter. Ook voor droge waren werden de oude namen aan nieuwe eenheden gekoppeld, zoals bij de last, de mudde, en de kop. Een instinker zal het pond zijn geweest in die jaren, want dat ging opeens een kilo wegen! Hoogst verwarrend. Maar een gulden bleef een gulden, al werd die onder het nieuwe stelsel wel verdeeld in honderd centen.
Weliswaar waren de mensen in het begin van de 19de eeuw kleiner dan tegenwoordig, maar toch bleef Jan Gijsbertus ver onder de maat met zijn lengte van 106 cm.
Ondanks zijn lengte moet hij een redelijk normaal leven hebben geleid en werd kantoorbediende en ambtenaar, trouwde, kreeg een dochter, werd weduwnaar, trouwde opnieuw en kreeg wederom een dochter. Oud werd Jan Gijsbertus Drost niet. Hij stierf op de leeftijd van 44 jaar.
|
De takken splitsen zich verder
Het zou te ver voeren alle vertakkingen van de Drosten te belichten, en daarom koos de auteur ervoor slechts één tak van de nazaten van Roelof verder uit te diepen. Na Roelof Drost splitste de familie Drost zich in twee stromingen, die van zoon Johannes en die van zoon Geysbert. Roelof had weliswaar meer zoons en hoewel die beiden trouwden, werden er geen nazaten gevonden. Oudste zoon Hendrik die in de voetsporen van zijn vader Roelof meester schilder werd, trouwde zelfs tot tweemaal toe, hetgeen hij in de krant liet zetten. Als oudste zoon kondigde hij in 1845 tevens het overlijden aan van zijn moeder, Johanna van den Bosch.


Geysbert
In 1803 werd Geysbert Drost geboren en groeide op in de Stadstimmertuin. Met zoveel inspirerende werkplaatsen in de nabijheid sloeg het handwerksbloed van de Drosten ook over op hem. Geijsbert werd timmerman.

De aanspreker in zijn karakteristieke kledij uit de tijd van Geijsbert Drost.
Bron: Houtgravure van Henri Brown, afgebeeld in De Nederlanden door Hildebrand, van Lennep e.a. (1841).
In 1828 vervoegde hij zich met Maria van Nes bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand voor hun huwelijk. Sinds de Franse bezetting waren er op bevel van Napoleon nieuwe wetten gekomen betreffende het registreren van geboortes, huwelijken en sterfgevallen, en werd het trouwen ten stadhuize door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand verplicht gesteld. Tevens moest iedereen een achternaam dragen en wie die nog niet had, moest er een kiezen. De achternaam Drost was toen overigens al een eeuw in de familie, dus voor Geijsbert was het eenvoudig. Hij was een Drost en bleef een Drost. Maria van Nes schonk hem vier kinderen. Hun jongste zoon Hendrik zou zijn tak aan de Drostenboom levend houden.

Amsterdamse burgerweeskinderen.
Prent van circa 1850-1860.
Bron: Stadsarchief, inv. 010097005570.
Geijsbert had als nevenbezigheid het beroep van aanspreker. Dat zal hem niet altijd even vrolijk hebben gemaakt, want afgezien van het feit dat aansprekers de brengers waren van slechte tijdingen, waren ze op straat steevast het mikpunt van de Amsterdamse lieverdjes die een soort ingebakken haat koesterden tegen mensen in zwarte uniformen, zoals politiemensen en aansprekers die kraaien werden genoemd. Waar ze ook liepen, het Káh! Káh! Káh! was niet van de lucht als er weer eens een stel van die dekselse gassies in de buurt waren. De benaming kraai had een dubbele achtergrond. Natuurlijk werd er gespot met zwarte kleding van de aanspreker die er wat wonderlijk bijliep in zijn korte broek en met zijn steek à la Bonaparte, voorzien van een afhangende lange strook zwart crêpe die steevast om de arm was gewikkeld. Er werd echter ook gepersifleerd op de lijkenpikkersmentaliteit van kraaien. Immers, zodra er iemand was overleden, kwamen de aansprekers snel van alle kanten afvliegen op het huis van de nabestaanden om op het lijk te azen. Of Geijsbert Drost ook zo’n stereotype kraai was, is niet erg waarschijnlijk. Een Drost was en is van huis uit geen type dat over lijken gaat...
Geijsbert verloor zijn vrouw Maria in 1856. Er leefden toen nog drie kinderen, Roelof die vrijgezel bleef, dochter Gesina, pas getrouwd, en zoon Hendrik die nog maar twaalf jaar oud was. Een jaar later kwam vader Geijsbert tijdens een reis naar Apeldoorn te overlijden.

Hendrik was pas twaalf geworden. De jonge wees werd opgenomen in het Burgerweeshuis in de Kalverstraat in Amsterdam. Hendrik kreeg in dat weeshuis zijn opleiding voor koperslager en loodgieter. Na in 1866 als poorter te zijn uitgeschreven, ging hij in militaire dienst. In 1871 trouwde hij met de katholieke Johanna van Thiel en werd bij zijn huwelijk eveneens katholiek. Zo kreeg de overwegend protestante familie Drost een katholieke tak, een tak die door de auteur in de genealogie dit boek uitgebreid wordt weergegeven, maar niet in beschrijvende vorm zal worden uitgediept omdat dat te ver zou voeren.
Toch mag één loot aan die katholieke tak zeker niet onvermeld blijven, en dat is de in 1918 geboren Theodorus Hendrikus (Theo) Drost, een kleinzoon van weeskind en koperslager Hendrik. Samen met zijn vrouw Bep deed ‘oom Theo’ vele jaren lang archiefonderzoek naar de Drosten. De door hem samengestelde genealogie was een stimulerende steun voor de auteur. Oom Theo overleed kort na zijn 90ste jaardag in 2008.
Johannes sr
Geijsberts broer Johannes Drost was geboren in 1808. Ook hij groeide op in de Stadstimmertuin waar zijn vader Roelof Drost werkzaam was en ook hij leerde een handwerksvak, namelijk dat van letterzetter. Verder deed hij werk als kantoorbediende. Waar hij zijn vak leerde en waar hij werkte is niet overgeleverd.

Een boekdrukkerij in het begin van de 19de eeuw.
Letters kwamen bij de lettergieterij vandaan en in de tijd van Johannes Drost was dat vrijwel zeker Joh. Enschedé uit Haarlem. De letterzetter had de taak zich met de kopij voor de letterkasten te plaatsen. De letters werden dan stuk voor stuk uit de letterkast genomen en tot regels gevormd in de zethaak. Een geoefende zetter kon op die manier ongeveer 700 lettertekens per uur zetten. Wanneer de zethaak vol was, werden de regels op een galei tot bladzijden samengesteld.

De letterzetter in de weer met zethaak en letterkast.
In 1838, kort voor zijn dertigste trouwde Johannes met Maria van Welp. Het pas getrouwde stel ging wonen aan de Korte Koningsstraat, een straat nabij de Oude Schans en daterend uit het eind van de 15de eeuw, op de plek waar ooit de oude Lastage was. Het huisnummer was 41, maar werd eind 19de eeuw omgenummerd naar 25. Het was hetzelfde pand dat ooit door vader Roelof was aangekocht.
Een wet uit het jaar elf...
Johannes Drost en Maria van Welp trouwden volgens de huwelijksakte ‘Op heden den Een en dertigsten January des Jaars Achttienhonderd Acht-en-Dertig, des morgens ten Tien uren’. Op zich een normale akte, maar toch ook weer niet helemaal. De voorgedrukte tekst laat ons lezen: ‘Alles ingevolge het derde Hoofdstuk der Wet van 20 Ventose van het jaar Elf’.

Dat mag wat vreemd overkomen, maar toch was die schrijfwijze ooit realiteit. We spreken hier van de Republikeinse Kalender, ook wel de Kalender van de Rede genoemd.
Na de Franse revolutie in 1789 had Frankrijk een seculiere richting gekozen, waarbij de invloed van allerlei kerkelijke zaken op het dagelijkse leven werd verketterd. De Gregoriaanse kalender met zijn bijbelse weken moest het ook ontgelden.
De nieuwe kalender bestond uit twaalf maanden van dertig dagen, onderverdeeld in drie weken van tien dagen, met wat aanpassingen om alles netjes in de pas te laten lopen. De maanden kregen namen die ontleend waren aan de eigenschappen van de jaargetijden: Vendémiaire, Brumaire en Frimaire in de herfst, Nivôse, Pluviôse en Ventôse in de winter, Germinal, Floréal en Prairial in de lente, en Messidor, Thermidor en Fructidor in de zomer.
In de Bataafse Republiek werd braaf voor een gepaste vertaling gezorgd: Wijnmaand, Mistmaand en Koudemaand voor de herfst, Sneeuwmaand, Regenmaand en Windmaand voor de winter, Kiemmaand, Bloemmaand en Weidemaand voor de lente, Oogstmaand, Hittemaand en Fruitmaand voor de zomer.
De eerste dag van jaar één van de nieuwe kalender ging in op 22 september 1792 en aan het eind van elk jaar waren er nog de Dag van de deugd, de Dag van het vernuft, de Dag van de arbeid, de Dag van de meningsuiting, de Dag van de beloning, en de Revolutiedag als schrikkeldag.
Elke dag telde tien uren die onderverdeeld waren in tien minuten. Elke minuut bestond uit tien seconden, waarmee de decimale seconde op 86,4 seconden uitkwam.
Hoogst verwarrend allemaal en op 1 januari 1806, niet lang na zijn kroning tot keizer schafte Napoleon de nieuwe kalender af. Intussen had het nieuwe Franse fenomeen zijn sporen in het Koninkrijk Holland achtergelaten, waar het tientallen jaren na afschaffing blijkbaar nog steeds in officiële stukken terugkwam.
|
Na de Franse tijd was de fut er in Amsterdam behoorlijk uit. Voor onderhoud was nauwelijks of geen geld, laat staan voor het aanpakken van iets nieuws, al waren er wel ondernemende particulieren die zo nu en dan voor leven in de brouwerij zorgden. Zo werd op enkele maanden na het huwelijk tussen Johannes en Maria de zoölogische vereniging Natura Artis Magistra opgericht.

Natura Artis Magistra aan de Plantage Kerklaan, nog geen tien jaar na de oprichting.
Prent van J.J.A. Hilverdink uit 1846. Bron: Stadsarchief, inv. 010097004162.
‘Onder dezen titel wordt thans opgerigt eene Sociëteit, welke ten doel heeft het bevorderen van de kennis der Natuurlijke Historie op eene aangename en aanschouwelijke wijze, zoo door het bijeenbrengen eener verzameling van levende dieren, als door het plaatsen van een kabinet van opgezette voorwerpen uit het dierenrijk’. Als locatie werd een plek in de Plantage uitgekozen, destijds een lommerrijk wandelgebied voor de Amsterdammers dat niet lang daarna volgebouwd zou worden. Er kwam een apenkooi, een vijver en een oranjerie. De tentoongestelde dieren waren enkele apen, herten, papegaaien en een schildpad. De eerste tijd zou het terrein vrijwel alleen toegankelijk zijn voor leden.
De generatie na Johannes sr

Maria Drost-van Welp, tegen het eind van de negentiende eeuw gefotografeerd.
Drost-archief DB 0662 (detail).

Het was voor sommigen wel even wennen aan die eerste sissende en rokende monsters...
Houtsnede uit circa 1875. Maker onbekend.
Johannes Drost sr - de auteur noemt hem zo omdat zijn jongste zoon dezelfde naam Johannes zouden dragen - blijft helaas een onderbelichte plek in dit verhaal. Over de arme schoenmaker Gijsbert Floriszoon uit de tijd rond 1700 kwam nota bene meer boven water dan over deze 19de-eeuwse letterzetter. Ook het beroep wat Johannes sr koos, gaf weinig aanleiding tot spraakmakende ontdekkingen. Tekenaars en schilders lieten de zetterij als artistiek object liever links liggen. De auteur kreeg eenvoudigweg niet veel meer over Johannes sr boven water dan zijn doop- trouw- en overlijdensgegevens.
Maria Drost overleefde haar man met ruim een kwart eeuw en werd dan ook hoogbejaard met haar 88 levensjaren. Zij schonk Johannes vier kinderen die allen aan de Korte Koningstraat geboren werden. In het jaar na hun huwelijk kwam dochter Johanna ter wereld. Dat was in 1839, het jaar waarin de Camera Obscura van Hildebrand het daglicht zag, na veel tegenstand de eerste stoomtrein ging rijden tussen Amsterdam en Haarlem en het land begon te ontwaken uit zijn winterslaap van trekschuit en diligence. Al spoedig deed het rijmpje de ronde:

Twee jaar later werd Hendrik Drost geboren. Bij het jongetje werd en afwijking ontdekt. De bovenbeentjes kregen niet de normale lengte, zodat Hendrik tamelijk klein van stuk zou blijven en de geschiedenis zou ingaan met de legendarische naam Henkie de Zitreus. Hendrik ging het kruideniersvak in en trouwde toen hij 36 was. Hij had Engelien Bredal leren kennen die weduwe was van Johannes Ronge die een grossierderij had in kruidenierswaren. Hendrik zou het bedrijf van haar overleden man voortzetten onder de naam Ronge en Drost. In 1877 trouwden ze en gingen wonen aan de Heiligeweg. Het echtpaar bleef kinderloos, maar Engelien had twee dochters uit haar eerste huwelijk. Toen die dochters trouwden, ontpopte hun stiefvader Hendrik zich als een liefhebbende grootvader. Lees daarover in hoofdstuk 6.

Hendrik Drost, alias de Zitreus.
Drost-archief DB 1805 (detail). .
Je kunt je afvragen wat de Hollandse man van de gegoede middenklasse als Hendrik Drost thuis op tafel kreeg als er vrienden kwamen eten. In die tijd was dat bijvoorbeeld de populaire hutspot die in een dekschaal op tafel kwam, een geliefd mengsel van groene groenten, worteltjes, rapen en uien, gestampt met aardappelen en bonen, boter erdoor en peper erover. Daar bovenop een onvervalste rijke Gelderse rookworst. Los erbij werd een mooi stuk gebraden kalfsvlees geserveerd in jus. Als dessert was slagroomtaart erg geliefd. Daarna kwam het ‘snoepsel’ zoals compote en likeur, welke laatste werden bewaard in fraaie met goud beschilderde karaffen in een ingelegd mahoniehouten kistje, het likeurkeldertje. Wonderlijk genoeg kwam na die zoetigheid de sla. Het olie- en azijnstel en de Cayennepeper stonden al op tafel om te worden gemengd tot een dressing voor een Friesche palingsla of sla met zalm of haring. Deze hartige afsluiter van de maaltijd was bij voorkeur versierd met een rand van schijfjes ei, fijn geschaafde biet en augurken. De heren konden daarna nog wat natafelen met een Schiedammertje, een pijp of een sigaar.
Hendrik Drost haalde rond 1880 zijn jongere broer Johannes in de zaak met wie hij jarenlang een hecht samenwerkingsverband zou houden. Deze Johannes Drost jr was in 1852 geboren als jongste telg van het gezin van Johannes Drost en Maria van Welp. Hij werd geboren in een jaar van enkele nieuwe ontwikkelingen in het elkaar sturen van berichten. Zo was er op 1 januari 1852 de eerste serie postzegels in Nederland uitgegeven. Deze eerste zegels waren in Utrecht bij de Rijksmunt gedrukt op handgeschept papier, maar waren nog niet getand en moesten met de hand van een vel worden afgeknipt. De zegels die de afbeelding droegen van Koning Willem III waren verkrijgbaar in waarden van 5, 10 en 15 cent.

De oudste serie Nederlandse frankeerzegels uit 1852.
Een andere nieuwigheid was de elektromagnetische telegraaf. Op het Rokin was op 1 december het Rijkstelegraafkantoor geopend. Belangstellenden konden telegrammen verzenden naar den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Breda. Een novum in die tijd waarvan dan ook meteen gretig gebruik werd gemaakt. Nederland stond een stapje dichter bij de moderne tijd.

De Oudeschans, gefotografeerd in februari 1863 door Jacob Olie die de foto nam vanuit de Montelbaanstoren in de richting van Recht Boomsloot. Rechts de ingang van de Ridderstraat. Dit was het buurtje waar Johannes Drost en zijn broer Hendrik opgroeiden.
Bron: Stadsarchief, inv. 01009A000304.
Johannes jr bracht zijn jeugd door in de buurt van de Korte Koningstraat. Zijn ouders verhuisden naar de Ridderstraat, aan de andere kant van de Recht Boomsloot, eveneens in het gebied van de oude Lastage. Het was de tijd waarin de fotografie zijn intrede had gedaan in Nederland en alom furore maakte. Mensen lieten zich gewillig portretteren, soms in de meest uiteenlopende poses en situaties, zoals Johannes sr die zich tijdens een dagje uit met vrienden liet fotograferen op een ezeltje... En zo ontstond de oudst bekende foto, ooit gemaakt van een Amsterdamse Drost.

Ambrotypie van circa 1860. De oudst bekende foto van een van de Amsterdamse Drosten. Van deze ezeltje rijdende heren is Johannes Drost sr (1808-1873) de derde van links. De foto is opgebouwd uit een onderbelicht nat collodiumnegatief op een donkerrode glasplaat, een tamelijk zeldzame ambrotypievariant die voorkwam tussen 1855 en 1865. Drost-archief DB 0218.

Sophia Krone, circa 1878.
Drost-archief DB 0152.
Johannes Drost jr, ca. 1878.
Drost-archief DB 0151.
Het is heel goed mogelijk dat Johannes jr voor letterzetter heeft geleerd en in zijn jonge jaren aan het drukkersvak verbonden is geweest. In ieder geval verloor hij zijn hart aan de dochter van een steendrukker die aan de Oudezijds Voorburgwal woonde, naast de Oude Kerk, van oorsprong het oudste stukje Amsterdam. Die steendrukker was Nicolas Charles Krone en zijn dochter heette Sophia Antonia, geboren in 1857. Op 21 oktober 1880 trouwden ze, nog geen twee maanden na de geboorte van prinses Wilhelmina der Nederlanden. De dag jubelde toen ze het stadhuis verlieten. Een carillon tingelde in de verte de maten weg van een oude gavotte, alsof iemand op een groot bronzen spinet een feestlied speelde, speciaal voor het pas getrouwde Drostenpaar.
Hier eindigen de eerste drie hoofdstukken over de Amsterdamse Drosten. Met zevenmijlslaarzen zijn we door enkele eeuwen heen gestapt, ofwel vijf generaties Drost. Over de wereld om hen heen viel meer te vertellen dan over henzelf, want hoewel de Drosten soms best in boeiende, enerverende of zorgelijke tijden leefden, is er over henzelf weinig bekend, en hoewel de auteur zich heel wel realiseert dat iedere Drost een bijzonder mens zal zijn geweest, is de nuchtere realiteit dat geen enkele Drost beroemd was of het nieuws haalde. De Drosten die de revue passeerden, waren hardwerkende handwerkslieden die het beste van hun leven probeerden te maken, maar die kwamen en gingen als ieder ander, gehuld in de nevelen van het onbekende, ondergesneeuwd in de massaliteit van een wereldstad die enkele honderdduizenden inwoners telde en constant in beweging was. Pas toen de zojuist genoemde gebroeders Hendrik en Johannes Drost in het laatste kwart van de 19de eeuw furore maakten als grossiers en commissionairs, kwam er welstand in deze tak van de familie en kwamen er als vanzelf de getuigenissen van die veranderde situatie in de vorm van foto’s, documenten en anekdotes. Daarover valt verderop in dit digitale boek te lezen.

Top
Hoofdstuk 2 Welkom & Uitleg Genealogie Hoofdstuk 4
Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.