Hoofdstuk 4     Welkom & Uitleg     Genealogie    Hoofdstuk 6

Bert Bolle

 

Hoofdstuk 5

Langs de Snijpunten der Bloedlijnen - De familie Hessels

Een Hindelooper schipper ging naar Amsterdam

 

H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________

 

Eerste pagina uit het Poesie Album van Alie Hessels dat ze kreeg voor haar dertiende jaardag. Haar vader Johan Hessels schreef er als eerste in. Drost-archief Objecten.

Zowel de auteur als zijn echtgenote hebben Fries bloed in de aderen. Beiden hebben voorouders die uit Friesland kwamen. Die voorouders hadden hetzelfde beroep. Ze waren schipper en ze kwamen ook nog uit hetzelfde stadje: Hindeloopen aan de zuidwestpunt van de Friese kust.

De zuid-westhoek va Friesland met de Hanzesteden Staveren en Hindeloopen, omstreeks 1665.

Uitsnede kaart van Friesland van A. Schotanus á Sterringa, 1665. Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 021851.

Hindeloopen was in die jaren nog niet zo groot. De mannelijke beroepsbevolking bedroeg tegen het einde van de 17de eeuw slechts een goede 500 personen, dus die voorouders zullen elkaar zeker gekend hebben. De kans is zelfs groot dat ze op hetzelfde kaagschip hebben gezeten dat hen in de lente overvoer naar Amsterdam als er weer gevaren kon worden, want het was bij voorkeur in die grote bruisende stad waar de Hiinlipper schipper zijn schip in winterlaag had liggen als het te koud was om te varen. Het was in Amsterdam waar hij de meeste kans had op een opdracht. Hindeloopen vormde een der belangrijkste reservoirs van schippers, en in die zin vormden Amsterdam en Hindeloopen op het terrein van de koopvaardij een twee-eenheid.

Gezicht op het stadje Hindeloopen in de 18de eeuw.

Reproductie oude prent. Coll.: auteur.

De Hindeloopers onderscheidden zich van de overige Friezen niet alleen op het gebied van de zeevaart. Ook hun spraak was anders. De Hindelooper tongval behoort tot het oude Zuidhoeks Fries. In het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon van Johan Winkler uit 1874 staat dat van alle andere Zuidhoeks Friese tongvallen als die van Workum, Koudum, Staveren, Molkwerum enz. het Hindeloopers afwijkt. Het zou zuiver Fries zijn, niet minder zuiver dan de gewone Friese landtaal is, maar het zou veel oude en echt Friese woorden langer en zuiverder hebben bewaard dan het gewone Fries. Ook zou het in de uitspraak veel ‘netter en fijner, veel gekuister, bevalliger, beschaafder en welluidender en veel minder afgesleten’ zijn. Zoals gezegd, de Hindeloopers waren een volk apart.

Een Hindelooper scheepskist, beschilderd in de karakteristieke Hindelooper stijl, 1750-1850.

Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 005026.

Sijmen Hessels was een Hindelooper schipper. Hij zal omstreeks 1675 zijn geboren en zijn vader zal Hessel hebben geheten. Zoals te doen gebruikelijk stond de voornaam van de vader model voor de achternaam van de zoon. Sijmen trouwde, maar hoe zijn vrouw heette kon niet worden teruggevonden. Het doopboek van de Hervormde Kerk in Hindeloopen begon pas in 1709 en toen had het gezin van Sijmen Hessels reeds twee kinderen: Hessel Sijmens en Broer Sijmens. Na 1709 werden de twee andere kinderen ingeschreven: Wiggert Sijmens en Goike Sijmens. Waarschijnlijk zal de onbekend gebleven moeder Nederlands Hervormd zijn geweest. De vader was dat overigens niet. Sijmen Hessels was Mennist ofwel doopsgezind en veel schippers uit Hindeloopen waren dat, evenals het gros van de bemanning die zo’n doperse schipper aan boord had.

Een fluitschip zoals dat door voorvader Sijmen Hessels werd bevaren.

Schilderij. Bron: Hidde Nijlandstichting, Hindeloopen.

Veel koopvaardijschepen in die tijd waren zogeheten fluitschepen, een scheepstype dat reeds in het eind van de 16de eeuw in zwang kwam. In tegenstelling tot de traditionele schepen was het accent veel minder of helemaal niet op de bewapening gelegd, maar veel meer op snelheid en stabiliteit èn het vervoeren van lading, veel lading. Het schip had steile stevens en ver ingehaalde boorden, terwijl de romp een buikige vorm kreeg die als extra voordeel had dat het enteren door kapers sterk werd bemoeilijkt. Deze kapers verschalkten menig rijk beladen schip waarna de schipper, mits hij er heelhuids van af gekomen was, zijn geheel leeggeplunderd schip vanuit de thuishaven van de kapers mocht terugvaren naar Amsterdam.

Fluitschepen hadden in vergelijking met de oudere scheepsvormen een smal dek en een forse lengte. Dat smalle dek was met opzet gekozen om de tolkosten bij de doorvaart van de Sont te drukken. De zogeheten Sonttol werd berekend over de breedte van het bovendek, maar de slimme Hollanders hadden door het smalle dek voor een aanzienlijke besparing gezorgd. Verder had de fluit een tamelijk eenvoudig zeilplan en was het staand en lopend tuig praktisch van opzet. Mede vanwege de korte loopafstanden op het smalle dek konden fluitschepen dan ook met een kleine bemanning worden gevaren, hetgeen zeker zal hebben bijgedragen tot het financiële succes van de Gouden Eeuw. De fluitschepen konden bovendien door hun geringe diepgang ondiepe havens bereiken en waren aangepast aan het reisdoel. Zo waren er speciale fluiten ontworpen voor de houtvaart op landen als Noorwegen, Zweden en Rusland. Een aantal van deze Noort-vaerders of Houthaelders had geen vast bovendek en dikwijls waren er in het achterschip en midscheeps zogeheten houtpoorten gemaakt, waardoor het ruim makkelijke met stammen kon worden geladen.

Een fluitschip wordt met hout geladen aan de Zweedse kust.

Uitsnede schilderij, 17de eeuw, schilder onbekend. Bron: Amsterdams Historisch Museum, inv. SA 23942.

Veel Hindelooper schippers gaven er de voorkeur aan om Noorwegen en de Oostzeelanden te bevaren, mede omdat daar de kans op kapingen minder groot was. Doopsgezinden mochten vanwege hun geloofsovertuiging geen wapens aan boord hebben en voeren dan ook regelmatig in konvooi, begeleid door schepen die wel kanonnen aan boord hadden. Zelf schone gevouwen handen behouden, maar anderen de kastanjes uit het vuur laten halen, wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Hoe het ook zij, over het algemeen stond een doopsgezinde schipper goed aangeschreven en had doorgaans een bemanning aan boord van gelijke gezindte. De Friezen stonden daarbij bekend als toegewijde en harde werkers. Dat was allemaal in het voordeel van schipper en opdrachtgever, want niet zelden waren zeevarenden ongedisciplineerde rauwe lieden die het slecht hadden. Dronkenschap kwam veel voor.

Een 17de-eeuwse bootsgezel.

Prent, getekend omstreeks 1700. Bron: Nederlands Scheepvaart Museum.

Het was in het jaar 1709 toen scheepsbouwer Theuwis Cornelis Haringh op zijn scheepswerf in de Zaanstreek het fluitschip Prins Fredrik Hendrik bouwde. Het schip mat 130¾ bij 29 voet, ofwel 37 meter lengte en ruim 8 meter breedte, geregistreerd voor een lastage van 220, ofwel 440 ton. Schipper was Sijmen Hessels uit Hindeloopen. Uit de bevrachtingscontracten valt op te maken dat hij voer op het Oostzeegebied, Noorwegen en Archangel aan de Witte Zee.

Interactieve Zeventiende-eeuwse kaart van Scandinavië met het Oostzeegebied, de Witte Zee enz. Ga met de muis over de kaart en het gebied in de omgeving van de Sont komt in beeld. De nauwe doorgang in de Sont is met een blauwe stip aangegeven (ongeveer in het midden). De stip rechts is bij Calmar, alwaar Sijmen Hessels hout ging laden in 1712.

Kaart uit 1664. Atlas van Loon. Bron: Nederlands Scheepvaart Museum, inv. S.1034_(01).

In het archief van de Directie van de Oostersche Handel en Reederijen is te vinden dat op 15 juni 1710 een lijst werd opgesteld van de schepen die in konvooi uit zouden zeilen onder commando van de commandeurs Gillis Eijsma, Harmen van Ewijck en Pijter Caelijes. Een van de schepen van dit konvooi was Prins Fredrick Hendrick met schipper Sijmon Helsels (sic). De bestemming was Archangel. De bemanning bestond uit elf man en er was geen montuur ofwel bewapening aan boord, geheel volgens de regel dat een doopsgezinde schipper geen kanonnen meenam. Dat zo’n onbewapend schip een makkelijk prooi was voor kapers, moest Sijmen het volgende jaar aan den lijve ondervinden. De Nederlanden leefden in die jaren in oorlog met Frankrijk vanwege de Spaanse erfeniskwestie, en daar spinde het gilde der Franse kapers garen bij. Vooral de Duinkerkse kapers waren berucht. In januari 1711 werd de Prins Fredrik Hendrik door een Franse kaper genomen en opgebracht, maar Sijmen Hessels wist uiteindelijk terug te varen naar de Nederlanden en het schip heelhuids te doen arriveren voor de palen van Amsterdam.

In de lente van 1712 had Sijmen weer nieuwe reisplannen. In het eerder genoemde archief van de Directie van de Oostersche Handel en Reederijen is een lijst van de schippers die met een konvooi naar de Oostzee wilden zeilen, opgesteld op 21 april 1712 te Texel. Schipper Sijmon Hessel voer weer met de Prins Fredrick Hendrick, met als bestemming de Oostzee, ditmaal met een bemanning van slechts vier personen, hetgeen ongebruikelijk weinig was voor een schip van een dergelijke omvang.

Wie naar de Oostzee wilde, moest tol betalen aan de Deense koning. Reeds in de 15de eeuw was door koning Erik VII bij Helsingør een vesting gebouwd die de doorvaart op de Sol beheerste. Schepen die daar wilden passeren, moesten bij Helsingør liggen totdat zij de tol hadden betaald. De betaling van het tolgeld werd berekend aan de hand van het schip en de last. In de douanekantoortjes van Helsingør werd de registratie door twee mensen gevoerd. In de periode dat onze Sijmen daar passeerde, was dit afwisselend het koppel Henrici en Ziege of het koppel Aspach en Boelcke. Op de heenreis werd de tolheffing door Henrici en Ziege afgehandeld.

 

 

De Sonttol

 

Nederlandse koopvaardijschepen in de Sont. Er wordt een saluutschot gegeven vanaf een Deens schip. In de achtergrond Helsingør links en Kasteel Kronborg in het midden.

Schilderij uit 1620 van H.C. Vroom. Bron: Helsingør Kommunes Museer.

Het was goed uitkijken geblazen voor de schippers die de Sont wilden passeren. Niets ontsnapte aan de aandacht van de Deense autoriteiten. Voor het strijken en hijsen der zeilen waren nauwkeurige richtlijnen gegeven en er werd streng op toegezien dat die werden nageleefd, want de Deense koning wilde geen inkomen missen.

De Sont, waarbij de kaart naar onze huidige maatstaven een kwart slag naar links is gekanteld. Links in het midden de zee-engte nabij Helsingør die door Slot Kronborg onder controle wordt gehouden. Rechts in het midden een detail van dit strategische punt. Onderin de kaart een aanzicht van Kopenhagen.

Kaart uit 1730 van J.B. Homann. Bron: Bron: Nederlands Scheepvaart Museum.

De admiraliteit in Kopenhagen had een reglement uitgevaardigd dat ten gerieve van de schippers uit de Lage Landen in het Nederlands was vertaald. Dit Reglement wegens het Strychen in de Zond kon de schipper maar beter bij zich hebben want als de richtlijnen niet stipt werden opgevolgd, zou er op zijn schip worden geschoten, zo lezen we in het pamflet.

Reglement voor schippers op de Oostzee uit 1729.

Pamflet, 1729. Bron Stadsarchief Amsterdam.

 

In het Oeresunds Toldkammer Indtaegt boek, het inkomsten registratie boek van de Øresund (Sont) tolkamer, is ondanks de zeer slechte leesbaarheid in de inschrijvingen van mei 1712 de volgende regel te lezen: ‘Sijmon Hessels af Hindeloopen kom fra Amsterd: wil til Callmar ballasted 2 Rigsdaler.’ De dag van de passage is onleesbaar. Calmar was dus het reisdoel, een Zweedse kustplaats, en daar zou een vracht hout worden geladen.

Sijmen ging er alleen met ballast, dus zonder lading heen, anders zou hij aanzienlijk meer dan 2 Rigsdaler hebben moeten betalen. Of hij dikwijls in het Oostzeegebied kwam, is niet bekend. In die tijd waren Zweden en Rusland met elkaar in oorlog, en was het niet altijd verstandig om met een kostbare lading door oorlogsgebied te varen. Dat kan de reden zijn waarom de schipper de dure Hollandse koopwaar thuis liet. Het ging ditmaal dus alleen om het halen van een lading hout.

Op 23 juni 1712 hadden Boelcke en Aspach dienst, en op die dag meerde de Prins Fredrik Hendrik weer aan bij Helsingør, terug op weg naar Amsterdam. In het Sonttolregister staat: ‘Simon Hessel af Hindlopen kom fra Calmar wil til Amsterd:’ Er werd een specificatie gegeven van de lading die bestaat uit ‘480 spirer à 8 skilling’, (letterlijk speren, in dit geval stokken of palen) tegen 8 schilling het stuk en ‘4.800 fijre dehler’, ofwel vurenhouten delen. Sijmen moest voor de doorvaart van zijn lading 84½ Rigsdaler betalen.

 

De Rigsdaler

 


Kort voor het midden van de zestiende eeuw werd in Denemarken en Noorwegen de Daler de basis voor het muntstelsel. De munt had ongeveer dezelfde waarde als de Rijnlandse gulden die aan de wieg stond van het Nederlandse muntsysteem.

Woorden als Daler, Daalder en Rijksdaalder vinden hun oorsprong in de plaats Joachimsthal in Tirol waar de Thaler werd geslagen. De munt raakte in veel landen in zwang, zoals in Nederland. In Denemarken sprak men al spoedig van Rigsdaler.

De daler die in de periode 1710 – 1720 geslagen werd was die van koning Frederik IV. Het was een tijd van onrust in Scandinavië, men spreekt van ‘den store Nordiske krig’, de grote Noordse oorlog die van 1700 tot 1721 duurde. Doel was om daarmee de Deense machtsbasis te vergroten, maar zoals meer Deense koningen was ook Frederik IV militair niet erg succesvol. Het is goed mogelijk dat Sijmen Hessels een munt als hierboven afgebeeld in handen heeft gehad.

 

In de zeebrievenregisters van Amsterdam zien we dat Simon Hesselsz op 17 mei 1713 een zeebrief kreeg voor de Prins Frederik Hendrik, 220 lasten. In die zeebrief verklaarde hij als rechtgeaarde doopsgezinde ‘bij ware woorden in plaatse van Eede’ dat het schip thuis hoorde ‘in de Geunieerde Provincien’.

Sijmen wilde blijkbaar meer dan alleen schipper zijn op zijn fluitschip. Op 8 mei 1715 kocht hij de Prins Fredrik Hendrik, tezamen met een groep andere investeerders. Blijkens de Reders Chedul van 12 augustus 1715 is het eigendom van het schip over 36 met name genoemde eigenaren in zogeheten parten verdeeld, waarbij Simon Hessels ‘voor hem selv voor 3/64 en 1/98 part alsmede comparerende wegens Andries Pijtters van Stavoren voor 1½ part’.

Uit deze akte blijkt tevens dat een aantal eigenaren alsmede schipper Sijmen Hessels ‘als sijnde van Mennonite gezintheit bij ware woorden in plaets van Ede verklaert dat sij alle sijn burgers en inwoonders van Frieslant’. Het kopen van een schip met een groep mensen werd een partenredrij genoemd. De participanten hadden een betrekkelijk klein aandeel in een schip, maar namen vaak ook op dezelfde manier deel in de aankoop van andere schepen. Verging er een schip, dan was je niet alles kwijt, maar een beperkt aandeel en dat werd dan gecompenseerd door de winsten op andere schepen. Een slimme risicospreiding.

... Het schip hetwelk op heden ter Vliestroom reisWaerdig is leggende en bij voorschreven Simen Hessels als Schipper gevoerd werdt voor hun comparanten rekening ballast scheeps en met gepermitteerde Coopmanschappen uit deze landen sal seilen nae Arendal in NoorWegen, en daer voor hun eigen Rekening sal worden beladen met gepermitteerde houtwaren, om daermede weder te keeren nae de Stad Amsterdam....

Scheepsrol van 1715 ten behoeve van Simon Hessels.

Bron reders-cedule en scheepsrol: Rijksarchief Leeuwarden.

17de-eeuwse fluitschepen.

Voor deze reis op 12 augustus 1715 en voor twee volgende reizen op respectievelijk 5 oktober 1715 en 30 juli 1716, ‘waarvoor de cedulle nae geliken teneur opnieuw gepasseerdt’, zijn ook de Rollen van ’t Scheepsvolk aangetroffen. Daaruit blijkt dat de bemanning bestond uit schipper, stuurman, bootsman, timmerman, ondertimmerman, kok, koksmaat, enkele matrozen en een kajuitswachter. Alle drie de reizen hadden dezelfde bestemming.

18de-eeuwse klederdracht van de Hindelooper man.

Prent, D. Vrijdag, 1791. Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 0226332.

18de-eeuwse klederdracht van de Hindelooper vrouw.

Prent, D. Vrijdag, 1791. Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 0226332.

De gepermitteerde Coopmanschappen waren goederen die op de heenreis werden meegnomen om in de haven van aankomst aan de man te worden gebracht. Regelmatig waren het koloniale waren die de Amsterdamse kooplieden in hun pakhuizen hadden.

Een bloemlezing van de meegenomen waren uit die tijd:

Franse wijn, Rinse wijn, brandewijn
Leise kasen, soete melks kasen
candij, broodsuiker, koek
korenten, vijgen, rosinen
specerij,toebak
genever
papier

Nadat zo’n schip in Amsterdam was geladen voor de grote reis, werd eerst nog Hindeloopen aangedaan, alwaar het op de rede werd gevictualeerd, hetgeen een belangrijke bron van inkomsten was voor het Hanzestadje. Daarna werd menige schipper door kleine schepen begeleid tot aan de zeegaten en uitgewuifd door de vrouwen.

In de zomer liepen er in Hindeloopen voornamelijk vrouwen, kinderen en ouden van dagen rond. In de herfst werden de schepen opgewacht en voeren veel vrouwen hun mannen tegemoet om hen naar Amsterdam te vergezellen waar ze de kans hadden om mooie sitsen te kopen die de VOC-schepen uit India binnenbrachten, want exotische stoffen als sits en Oostindisch bont waren geliefd voor het Hindelooper kostuum. Sits was een dure stof en de Hindelooper vrouw liet graag zien dat haar man vreemde zeeën bevoer en zich dergelijke kostbare exotische waren kon permitteren.

De sitsen wentke, een lange, van voren openvallende vrouwenjas, was een populair onderdeel van de Hindelooper dracht. Zowel vrouwen als meisjes liepen rond in sitsen kledij en voor een vreemdeling die in de 18de eeuw Hindeloopen bezocht, moet het soms wel geleken hebben of hij in een Aziatische kolonie was beland...

Een sitsen jak uit de periode 1750-1850.

Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 002930.

Schipper zijn in die tijd was niet zomaar iets. Niet zelden was je als schipper een man die geld had en die politieke macht bezat. Aan boord was hij de absolute baas. Sijmen Hessels mocht dan maar een part van het schip bezitten, iedereen had naar hem als schipper te luisteren. Dat werd al bezongen in de Hindelooper Zeemansalmanak, uitgegeven in Leeuwarden bij Johannes de Ruiter in 1679. De auteur heeft het zuiver authentieke Hindelooper Fries weergegeven in de fonetische schrijfwijze die hij in de literatuur aantrof:

          

Uit: Hynlepre Seemans-almenak op it 1679 jier.

Herdruk met juxtalineaire Nederlandse vertaling uit: J.H. Halbertsma, Hulde aan Gysbert Japiks bewezen; 2e stuk (1827) bl. 214-233.

De familie Hessels was er een van zeevaarders. In allerlei stukken kwam de auteur de naam Hessels tegen, en het betrof steeds weer de vaart op de Oostzeelanden, Noorwegen, of de Witte Zee. Ook de zonen van Sijmen waren schippers. Zijn oudste zoon Hessel Sijmen stond ingeschreven als zeevarend man. Van Hessel wordt vermeld in het Quotisatiekohier van 1749 dat hij ‘een wel bestaen’ heeft. Hij werd aangeslagen voor 75 Carolieguldens.

Broer, de tweede zoon van Sijmen werd Mederegerend Vroedsman in Hindeloopen. Hij kocht op 6 april 1745 het 128 voet lange fluitschip De Witte Olijphant, later genoemd De Lijnbaen de Swarte Olijphant, gebouwd in 1728-1729 door Cornelis Ouwejan, en werd daarop schipper. Wiggert, de derde zoon van Sijmen was Schipper en Vroetsman in 1739, en Burgemeester van Hindeloopen in 1749. Van Wiggert werd in het Quotisatiekohier van 1749 vermeld dat hij ‘een wel bestaen’ heeft. Hij werd aangeslagen voor 116 Carolieguldens en 17 Stuivers. De familie Hessels was dus invloedrijk en profiteerde volop mee van de welvaart in die jaren.


Hindelooper vrouw met haar dochter in klederdracht uit het midden van de 19de eeuw.

Prent van een tekening van H. Greeven, 1800-1840. Bron: Zuiderzeemuseum, inv. 007288.

Johanna Hendrika Brons, de moeder van Johan Hessels.
Drost-archief DB 0543.

Het stuivertje wisselen van de namen van vader en zoon ging door. Hessel Sijmens oudste zoon heette - hoe kan het ook anders - Simen Hessels, ook wel gespeld Heszels. Deze trouwde in 1766 met zijn nicht Mary Wiggerts en brak met de patroniementraditie. Hij noemde zijn oudste zoon Wiggert Simons Hessels. Voor het eerst was er sprake van een blijvende achternaam: Hessels. In januari 1799 trouwde Wiggert met Yek Sijtjes Lammerts om kort daarna uit te varen op een van de koopvaardijschepen. Yek vertrok die zomer naar Amsterdam; begin juni werd haar vertrek vastgelegd in het lidmatenboek van de Nederlands Hervormde gemeente van Hindeloopen. In de herfst van 1799 was het kersverse echtpaar weer herenigd en in juli 1800 kwam hun zoon Simon Wiggerts ter wereld.

Acht jaar later stierf zijn Wiggerts vader Sijmen en kort daarna diens weduwe Mary. Blijkbaar werd er al flink gependeld tussen Hindeloopen en Amsterdam en stond de familie Hessels zeker niet op een sociaal laag niveau, getuige de rouwadvertenties die geplaatst werden.

 

Niet alleen werd er veelvuldig gependeld tussen Hindeloopen en Amsterdam, er was inmiddels sprake van een soort overgangssituatie waarbij de familie steeds hechtere banden met Amsterdam onderhield, en zij waren niet de enige families. Tegen het einde van de 18de eeuw was ten gevolge van de vierde Engelse oorlog de Hindeloopense zeevaart praktisch stil komen te liggen en waren mede door het Franse bewind in de Nederlanden veel Hindeloopers hun kapitaal kwijtgeraakt. Het was gedaan met de periode van welvaart; het stadje teerde in op het oude vermogen dat op de verre zeeën was vergaard en verloor in rap tempo zijn betekenis als scheepvaartstad. Zij die nog kapitaal bezaten, namen de wijk naar Amsterdam.

In datzelfde Amsterdam werd in 1803 Sijtje Wiggerts Hessels geboren, als tweede zoon van het gezin van Wiggert en Yek Hessels. Evenals zijn oudere broer werd Sijtje ‘Buitenlandsch Zeevarende en Zeeman’. Yek reisde intussen weer voor enige tijd terug naar Hindeloopen en werd weer als lidmaat ingeschreven op 1 maart 1813. Bij de naamsaanneming van 1811 had zij bij afwezigheid van haar man de naam Hessels aangenomen. Wanneer de man van Yek overleed is niet bekend, maar in 1824 woonde ze in de Meer, niet ver van Amsterdam en plaatste de volgende advertentie:

Sijtje leerde in Amsterdam Johanna Hendrika Brons kennen. Ze besloten te trouwen in de Watergraafsmeer onder de rook van Amsterdam, gingen daar wonen en kregen twee jaar later een zoon.

Hindeloopen bleek toch weer te trekken. Op 21 augustus 1832 werd het echtpaar Hessels in het lidmatenboek van de Nederlands Hervormde Kerk te Hindeloopen ingeschreven. Ze kregen daar twee kinderen: Johannes Hendrikus in 1837 en Iek in 1842. Niet lang daarna ging het gezin weer terug naar Amsterdam, ditmaal voorgoed.

Johannes Hessels

In Amsterdam ging Johannes de handel in en werd commissionair in koloniale waren. Zijn kantoor bevond zich aan de Korte Prinsengracht 55. Het handel drijven zat de Hesselsen blijkbaar in het Friese bloed, er werden relaties aangeknoopt met andere zakenmensen en er ontstonden liaisons. Zo was een oom van Johannes Hessels getuige geweest bij de geboorteaangifte van Anna Ronge, een zuster van commissionair Johannes Ronge die de oprichter was van het bedrijf dat later bekend zou worden als Ronge en Drost...

Johannes Hessels, circa 1890. Drost-archief DB 0124.

  

Emmerentia Voordewind en Peter Schut, de ouders van Alida die met Johan Hesels huwde. Drost-archief DB 0544 en DB 0545.


Alida Schut, de echtgenote van Johannes Hessels.
Drost-archief DB 0550.

Het gezin Hessels, omstreeks 1900. Drost-archief DB 0119.

Johannes Hessels trouwde in 1880 met de niet onbemiddelde Alida Schut. De moeder van Johan Hessels woonde in bij het gezin van haar zoon.

Het echtpaar kreeg in 1881 een zoon Johannes die echter eind 1884 stierf. Enkele maanden eerder was er een dochter geboren die Alida Emmerentia Johanna werd genoemd. Alida naar haar moeder, Emmerentia naar haar grootmoeder van moeders kant en Johanna naar haar grootmoeder van vaders kant.

In 1886 verhuisde het gezin naar de van Oldebarneveltstraat en kort daarna naar de Nassaukade. In 1895 verhuisde het gezin Hessels naar Villa Bienvenado aan de Roeltjesweg in Hilversum en vandaar via de Spoorstraat naar een statig pand aan de Wilhelminastraat 14 aldaar. Maar liefst tien hulpen waren nodig om alles draaiende te houden. In 1907 werd het huwelijk gesloten tussen Alida Hessels en Johannes Drost, waarmee het Friese Hesselsbloed zich met dat van de Amsterdamse Drosten vermengde.

Wat er precies in huize Hessels is gebeurd, is niet overgeleverd, maar Johannes liet verstek gaan bij het huwelijk van zijn enige dochter. De huwelijksakte vermeldde dat hij per notariële akte toestemming had gegeven voor het huwelijk. Kort na het huwelijk verhuisde vader Hessels naar Utrecht. Het precieze hoe en waarom van dit gescheiden leven is niet duidelijk. Het is heel wel mogelijk dat Johan Hessels geestelijk niet in orde was en onder behandeling moest, daarover is echter niets teruggevonden. Een feit is wel dat hij zijn laatste levensjaren in Ermelo doorbracht en alleen onder begeleiding reisde.

Alida Schut bleef na het huwelijk van haar dochter in Hilversum wonen, maar in 1909 verhuisde weer terug naar Amsterdam, waar ze het jaar daarop overleed. In de overlijdensadvertentie stond: ‘Heden overleed tot onze diepe droefheid onze geliefde echtgenote enz....’, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Johannes Hessels ook in Amsterdam woonde en de eerdere scheiding van de echtelieden op zuiver medische gronden zou hebben berust. Echter, in een tijd waarin schijn ophouden tot een hoog goed was verheven, was er van alles mogelijk...

Johannes Hessels omstreeks 1905. Drost-archief DB 0549.

Na het overlijden van zijn vrouw verhuisde Johannes naar Ermelo, een plaats die reeds toen bekend stond om zijn herstellingsoorden en inrichtingen. Toch zal hij geen zwaar patiënt zijn geweest, want hij woonde in een normaal woonhuis. Het toeval wilde dat een fotograaf in 1920 een opname maakte van de Stationsweg in Ermelo voor een ansichtkaart. Johannes Hessels was zijn huis uitgelopen naar het tuinhek en was, zoals zovelen in die dagen, blijven staan kijken. En zo werd hij voor altijd vastgelegd. Dochter Alie plakte de ansichtkaart in haar album en dank zijn haar notitie belandde de opname uiteindelijk op deze Drosten-site.

Johannes Hessels staande aan het tuinhek voor zijn huis in 1920. Drost-archief DB 0080.

In 1921, een jaar voor zijn overlijden was Johannes Hessels met zijn begeleider op bezoek bij zijn dochter en haar gezin in Hilversum. Het gezin Drost was nog niet verhuisd naar de Hollandschelaan en woonde aan de Vaartweg 75.

Johannes Hessels naast zijn dochter Alida in de zomer van 1921. Achter hen de begeleider. Drost-archief DB 0026.

Johannes Hessels overleed in Ermelo in 1922. Alie Hessels moet, hetzij van haar moeder Alida Schut of van haar vader Johan Hessels of misschien wel van beiden een niet te versmaden kapitaal hebben geërfd. Er werden echter geen testamenten gevonden en het kan zijn dat de ouders van Alie een aanzienlijk deel van hun vermogen voortijdig hadden weggesluisd naar hun dochter. Ook toen kende men uiteraard de wegen om de belastingdienst de wind uit de zeilen te nemen. Hoe dan ook, reeds op jonge leeftijd was Alie een welgestelde vrouw. Kort na het overlijden van haar vader betrok het gezin Drost hun huis aan de Hollandschelaan 7 in Hilversum.

Top

Hoofdstuk 4     Welkom & Uitleg     Genealogie    Hoofdstuk 6

Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.