Hoofdstuk 5     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 7

Bert Bolle

 

Hoofdstuk 6

Een Tijd van Bloei - Ronge & Drost

De rol van Henkie de Zitreus

 

H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________

De liaison Ronge-Drost

Engelien Bredal tijdens haar huwelijk met Johan Ronge. Opname van 1865. Drost-archief DB 1795.

Dit is het kortste hoofdstuk van het boek der Amsterdamse Drosten terwijl het toch gaat over het belangrijke gegeven dat er in de laatste decennia van de 19de eeuw zoveel welvaart in de familie Drost kwam. Helaas werd er vrijwel niets meer teruggevonden van en over de firma Ronge en Drost. Niets uit de administratie werd bewaard en tijdens de periode van opkomst en bloei was er nog geen Kamer van Koophandel in Amsterdam. Behalve hier en daar wat vermeldingen in adres- en telefoonboeken, werd er niets meer over de firma teruggevonden. Wat de auteur nog kon bemachtigen, waren wat onbenullige overblijfsels: een suikerzakje, wat reclame en een bestelbonnetje... Verder slechts wat foto’s en anekdotes.

Dit hoofdstuk gaat tevens over een kort persoon, beter gezegd een persoon met korte bovenbenen: Hendrik Drost, vooral bekend als Henkie de Zitreus en door de jongere generatie van toen Oom Henkie genoemd. Vermoedelijk door een geboorteafwijking had Henk een tamelijk korte lichaamslengte die te wijten was aan zijn te korte bovenbenen. Als hij op een stoel zat, leek zijn lengte echter normaal, zodat hij in de familie Drost al spoedig de bijnaam ‘De Zitreus’ had verworven. Door zijn huwelijk met een commissionairsweduwe kwam de liaison Ronge-Drost tot stand en daarom hoort Hendrik Drost in dit hoofdstuk thuis. Zijn korte lichaamslengte van 153 cm was omgekeerd evenredig aan de lengte van zijn leven. Hij werd bijna 90 jaar oud.

Hendrik Drost werd op 9 mei 1840 geboren op Korte Koningsstraat 25 in Amsterdam. Zijn ouders waren Johannes Drost en Maria van Welp. Johannes was letterzetter van beroep. Bij de aangifte van zijn zoon op het Stadhuis had hij twee van zijn broers als getuigen meegenomen. Dat waren Hendrik Drost die schilder was en in daarmee in de voetsporen van zijn vader Roelof Drost was getreden. De andere broer was Geysbert, drager van dezelfde voornaam als van Geysbert Floriszoon, de schoenmaker die omstreeks 1680 naar Amsterdam kwam. Geysbert was timmerman en zou later tevens het beroep van aanspreker aannemen. Daarover meer in hoofdstuk 3.

Van Hendriks jeugd en vrijgezellentijd is nagenoeg niets bekend. Er werden geen militiegegevens van hem gevonden. Hendrik was simpelweg uitgeloot. Hij voorzag in zijn levensonderhoud als kantoorbediende, woonde bij zijn ouders aan de Ridderstraat tot het overlijden van zijn vader in 1873 en verhuisde toen naar de Rozengracht.

Aan de Heiligeweg woonde Engelina Bredal, de weduwe van Johannes Hermanus Ronge. De Ronges waren een commissionairsfamilie, waarbij reeds in een vroeg stadium de suiker een rol kan hebben gespeeld. In het begin van de 19de eeuw was Jan Ronge vanuit het Hessische Hofgeismar naar Amsterdam gekomen. Hij was bakker en gistkoper en zal zich bezig hebben gehouden met ‘broodbakkers affairen’, het toeleveren van bakkers, suikerbakkers enz.

 

Van Runge naar Ronge

Toen spontane integratie nog vanzelfsprekend was...

 

Bakkerij van begin 1800 uit het gebied rond Kassel.

Bron: Internet.

Johannes Runge werd in 1773 geboren als zoon van meester-bakker Johann Conrad Runge in de Hessische garnizoensstad Hofgeismar. In deze stad waren enkele bakkersfamilies actief, zoals de familie Fernau. Deze was gelieerd aan de familie Genuit, een van oorsprong Franse linnenweversfamilie die weer familiebanden had met de familie Krone. Daarover meer in hoofdstuk 4. De familie Runge was een zeer bekende bakkersfamilie in Hofgeismar. Reeds in de 17de eeuw was er een meester-bakker Johannes Conrad Runge en onder de nazaten komen we een meester-bakker tegen die tevens burgemeester was van Hofgeismar. Johann Christoph Runge was een bekende predikant in de stad.

Het ligt in de lijn der logica dat de Runges als oude gevestigde bakkerij in de garnizoensstad het commiesbrood mochten bakken, hetgeen inhield dat de bakkerij van de Runges het voorrecht had de garnizoenen van brood te voorzien. Zo is het heel wel mogelijk dat de bakkerszoon Johannes Runge en korporaal Nicolaus Krone elkaar kenden. Omstreeks 1807 zou Johann Franz Krone, de zoon van Nicolaus als bakker naar Amsterdam trekken, in de voetsporen van bakker Johannes Runge die enkele jaren eerder vanuit Hofgeismar was weggetrokken naar Amsterdam waar een betere toekomst voor hem in het verschiet zou liggen.

Gravure van de stad Hofgeismar, getekend in de 19de eeuw.

Tekenaar: L. Rohbock. Graveur: E. Höfer. Bron: Landesgeschichtliches Informationssystem Hessen.

Johannes Runge vond werk bij bakker Jan Guijt die een zaak had aan de Jonkerstraat en waar hij tevens kon inwonen. Deze Jan Guijt had niet alleen een bakkerij maar ook een dochter, Jannetje genaamd. Johannes Runge kwam uit een gebied waar veel armoede heerste en waar een huwelijk eerder op verstandelijke basis of zelfs uit bittere noodzaak werd gesloten dan vanuit liefde en hoewel de situatie voor de bevolking in Amsterdam over het algemeen gunstiger lag dan die in Hessen, zal Johannes Runge naar alle waarschijnlijkheid het nuttige met het aangename hebben willen verenigen door de dochter van zijn baas te trouwen. Hij kon dan een poorterbewijs aanvragen en snel vaste voet aan de grond krijgen in Amsterdam. Hoe dan ook, in minder dan geen tijd was het huwelijk tussen bakkerskecht Johannes en bakkersdochter Jannetje ‘voor de bakker’. Op 16 maart 1804 lieten ze hun ondertrouw inschrijven.

Links in de marge, bovenaan: ‘Hy Vaders consent: goed’. ‘Compareerden als vooren: Jan Rönge van Hoofgysmar in Hessen, geref. (is hervormd) oud 30 jaar. In de Jonkerstr: tussen d’ 1e & 2e Dwarsstraat by de bakker, geassisteerd met consent van zyn vader Johan Conrad Runge, w(onen)de te Hoofgysmar ende Jannetje Geut van Amsterdam, Luthers, wed(uwe) van Hendrik Willink, woont als boven.

Johannes had voldoende zakelijk inzicht om zo snel mogelijk in zijn nieuwe vaderland te integreren én te assimileren. Hij gaf de naam Jan Ronge op, al zette de ambtenaar voor de zekerheid nog maar een umlaut boven de o. Het ondertekenen ging de kersverse Jan nog niet goed af. Kennelijk had de Duitse bakker nog wat moeite met schrijven, want hij tekende met zijn Duitse naam: Johannes Runge. Hij had het consent bij zich van zijn vader Johannes Conrad, de meester-bakker uit Hofgeismar die had verklaard niet op de bruiloft te kunnen komen, toestemming gaf tot het huwelijk en uitsluitsel kon geven over het geboortejaar van zijn zoon, namelijk 1773. Johannes was dus meerderjarig en kon derhalve zonder moeite trouwen. Slechts enkele dagen na zijn huwelijk liet Johannes zich als Jan Ronge resgistreren als poorter van de stad Amsterdam.

Jan Ronge hield zijn nieuwe naam aan, ook toen hij tekende als getuige bij het huwelijk van zijn vermoedelijke pupil, de bakker Johann Franz Krone die een paar jaar na hem naar Amsterdam trok en zich in die jaren naar goed voorbeeld Frans Kroon noemde. De vernederlandste versie van Johannes Runge zou beklijven. Toen hij in 1815 stierf, werd hij op het stadhuis aangegeven als ‘bakker en gistkoper Jan Ronge’.

 

 

Jan Ronge kreeg twee zonen. Een van hen was Johannes Coenraad die in het verlengde van de zakelijke activiteiten van zijn vader commissionair werd en in 1830 trouwde. Uit dat huwelijk kwam onder meer zoon Johannes Hermanus die in de voetsporen van zijn vader en grootvader trad en eveneens commissionair werd. Dat zijn vader en hij commissionairs zouden zijn geweest in ‘suiker, siroop en aanverwante artikelen’ werd niet teruggevonden, maar het ligt wel in de lijn der logica. Het was deze Johannes Hermanus die in 1859 trouwde met Engelien Bredal. Johans broer Johan Coenraad trouwde later eveneens met een Bredal, de zuster van Engelien.

Tijdens de verschillende genealogische onderzoeken kwam aan het licht dat de Ronges niet alleen met de familie Krone een liaison hadden of tenminste met elkaar omgingen, maar tevens met de familie Hessels. Zo was er Anna Ronge, een zuster van de hierboven genoemde broers, geboren in 1831. Een van de getuigen bij de geboorteaangifte van Anna was Hessel Wiggerts Hessels, een oom van Johannes Hendrikus Hessels die trouwde met Alida Schut. Ook de Hesselsen waren commissionairs. Hun dochter Alida zou trouwen met Johannes Drost, de oudste zoon van het echtpaar Johannes Drost en Sophia Krone. Verder werd ontdekt dat Johann Conrad Ronge in 1812 getuige was bij het huwelijk van Johann Franz Krone, de grootvader van Sophia Krone. Beide mannen zaten in het bakkersvak, hadden bakkerszaken en kwamen, zoals reeds gezegd, uit Hofgeismar in Hessen.

Hoe Henk Drost in de armen van Engelien Bredal verzeild raakte werd niet overgeleverd, maar de meest logische verklaring is dat Henk als kantoorbediende werkzaam was in het commissionairskantoor van Johannes Ronge. Commissionairs plachten hun klerken geregeld mee te nemen naar de Beurs en zo moet Henk Drost al doende met het commissionairsvak vertrouwd zijn geraakt. Toen Johannes Ronge in 1871 stierf, moeten de zaken door iemand in het bedrijf zijn voortgezet. Mogelijk was Hendrik Drost reeds toen de partner van Johannes Ronge. Het kan ook zijn dat Henk door zijn verworven kennis en het succesvolle waarnemen zijn plek in de hiërarchie veroverde. Henk kreeg hoe dan ook de teugels van de firma in handen en trouwde in juni 1877 met de weduwe Ronge. Het zal in die jaren zijn geweest dat hij zijn jongere broer Johan in het bedrijf haalde.

Henk werd mede-firmant en de weduwe Ronge werd Engelien Drost. Zij behield door de erfenis van haar jong overleden man haar aandeel in de firma die verder ging onder de naam Ronge en Drost. Door haar huwelijk kwam er weer een man in huis en dat was alleen maar goed voor haar en haar twee dochters. De korte bovenbenen van haar kersverse echtgenoot zullen haar niet hebben gestoord. Als weduwe van in de veertig maalde je niet om een paar centimeter been meer of minder. En ach, Henk zal misschien ook niet zo nauw gekeken hebben. Als zoon van een eenvoudige letterzetter zal hij op voortvarende wijze zijn kansen gegrepen hebben om een geslaagd commissionair te worden, iets wat hem overigens wonderwel lukte. Hij werd een vermogend man.

 

De Amsterdamse Beurs

De Beurs van Zocher aan de Dam in Amsterdam, met handelaren, kruiers en koetsen.

Kleurenlitho, tweede helft 19de eeuw. Bron: Stadsarchief, inv. 010097010937.

Eeuwenlang had Amsterdam zijn Beurs van Hendrik de Keyser aan het Rokin, maar toen dat bouwvallig werd, ontwierp de architect Jan David Zocher een nieuw gebouw dat zijn plaats kreeg op het Damrak waar de Vismarkt was. In 1845 werd het geopend. Het streng neoclassisistische gebouw kreeg een open binnenhof, een miskleun van Zocher. Het middenstuk werd al snel overkapt, want in de soms ijzige koude en regen kon niemand zaken doen. Hoewel indrukwekkend met zijn enorme Ionische zuilen, kwam het gebouw nogal hoekig en somber over, mede doordat er nauwelijks ramen in zaten. Al snel kreeg het als bijnaam Het Mausoleum en de lelijke uitstulping aan de zijkant langs het Damrak en de Beursstraat werd spottend De Puist genoemd. Ondanks de overkapping bleef het gebouw tochtig en kil, waardoor de schepping van Zocher de spotnaam Het tochtige wonder van Amsterdam erbij kreeg. Uiteindelijk heette het gebouw de Sta-in-de-weg en kreeg Berlage na zeer veel geharrewar de opdracht een nieuw beursgebouw te ontwerpen op een meer doordachte wijze dan Zocher had gedaan én zonder oubollige stijlelementen. Dat gebouw verrees in het begin van de 20ste eeuw. Berlage kreeg eer van zijn werk, zij het soms postuum. Zo werd zijn Beurs in 1999 door de Union Internationale des Architectes op een lijst van de duizend belangrijkste gebouwen van de twintigste eeuw gezet.

Voor de ontstaansperiode van de firma Ronge en Drost moeten we echter weer terug naar de Beurs van Zocher. Van de bekende Amsterdamse schrijver Justus van Maurik verscheen in 1883 het boek Met z’n achten, waarin hij op een speelse manier het leven in en rond de Zocher-beurs schetst.

De Beurs van Zocher als illustratie van Justus van Mauriks boek ‘Met z’n achten’.

Prent, getekend door J. Braakensiek, ca. 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 01019400008.

Van Maurik beschrijft een fictieve briefwisseling tussen Joris Komijn en zijn vader, een burgerlijk-Hildebrandiaanse komenijshandelaar in Medemblik die nog nooit in Amsterdam was geweest. “Ik heeft nooit gerezen”, schreef Komijn zijn zoon Klaas in Amsterdam en hij vroeg om een verslag over de Beurs aldaar. Deze Klaas was jongste bediende op een handelskantoor. Hier een paar fragmenten uit zijn brief aan zijn vader:

‘De patroon neemt mij alle dagen mee naar de Beurs, maar ik mag er nog niets doen; ’t is alléén maar voor de “sjiek”, zoo zegt de oudste bediende. ’t Is erg vervelend om zoo van kwart voor tweeën tot halfdrie stil op één plek bij een pilaar te staan, en daarom zegt de tweede bediende dikwijls: “Klaas! ga maar eens naar den telegraaf en loop de Beurs eens over, net of je haast hebt; dat staat gekleed”.

Wat de Beurs, of eigenlijk gezegd het Beurs-gebouw aangaat, dat zou U erg tegenvallen, vader, als je ’t zag; op de plaatjes en photographieën ziet ’t er nog al aardig uit, maar in werkelijkheid is ’t een groote steenen romp, met blinde muren. Aan den kant van ’t Damrak is een vierkant uitwas, dat in de wandeling de puist wordt genoemd, aan den kant van de Vischsteeg net zoo’n ding, dat de andere puist heet.

’t Eerste wat je opvalt, als je links of rechts binnenkomt, is de vreeselijke tocht: ’t is of je opgenomen wordt, vooral als ’t Zuidwestenwind is. Op de deur links is dan ook tusschenbeide een papier aangeplakt; daar staat op geschreven: “Na 1¾ ure gesloten, wegens tocht”.

Achter die deur is een groot halfrond houten schot gezet, zóó, dat de tocht met kracht in ’t telegraaf-bureau wordt gestuurd. Bij den rechteringang is geen tochtscherm, alleen een groene duffelsche deur, maar toch is het in ’t postkantoor net precies zoo winderig, als bij den telegraaf.

Langs de wanden van de Beurs zie je tusschen de platte vierkante pilaren groote grijs geschilderde borden, met allerlei soorten van biljetten en papieren beplakt. Verkoopingen van huizen, bouwland, hofsteden en pakhuizen; veilingen van tabak, drogerijen, indigo enz.; aanplakbiljetten van stoomvaart-maatschappijen, spoorwegen, assurantie-maatschappijen, levensverzekeringen enz.

Toen ik pas op de Beurs kwam, zei de eerste bediende op een middag tegen mij: “Klaas, zoek eens even den makelaar Shrubs op, hij staat in den tabakshoek”. Nu kunt u denken, dat ik vreemd opzag, want ik wist in ’t geheel niet wáár de tabakshoek was. Ik wou ’t niet laten blijken en liep op goed geluk af naar een van de hoeken en vroeg heel beleefd aan een jongeheer, die stond te gapen, of dáár de tabakshoek was. “Hier is de koffiehoek”, antwoordde hij,“hier naast is de wijnhoek en dáár op de steenen, de tabakshoek”.

Ik stond mal te kijken, want eigenlijk zijn ’t in ’t geheel geen hoeken.

Aangezien u dit nu wel niet zult begrijpen, heb ik voor ’t gemak een plattegrond van de Beurs geteekend en er de verschillende hoeken met namen op aangeduid. Dáár, waar ik Allerhande heb geschreven staan allerhande soort kooplui, reeders, commissionnairs, importeurs, exporteurs, assuradeurs, enz. door elkaar.

Plattegrond van de Beurs uit Justus van Mauriks boek ‘Met z’n achten’ (1883).

Bron: Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. URL: http://www.dbnl.org .

Mijn baas doet heel veel zaken met één agent, vooral in chinine en drogerijen, dat is een bovenste beste. Zóó is hij in den verfhoek, een minuut later zie je hem in de Allerhande; als je denkt, dat je hem in ’t oog hebt, is hij weer geblazen en sluit hij een post af in den kruideniershoek. Als de wind stuift hij tusschen de menschen heen, sluit assuranties, koopt wissels van den een, verkoopt chinine aan een ander, koffie, thee of aniline aan een derde, en kijk je waar hij gebleven is, dan staat hij doodbedaard op zijn plaats om zijn bediende orders te geven. Bij zoo’n patroon zou ik ook nog wel eens willen zijn, daar leer je van alles, want je komt vanzelf in alle hoeken van de Beurs.

Om nog eens op die hoeken terug te komen, vader! Wil u wel gelooven, dat er enkele hoeken zijn, die je met de oogen dicht kunt kennen, b.v. de drogerijen- en verfwaren-hoek, dien merk je bepaald aan den reuk, en je kunt daardoor meteen weten welk artikel er te zien is in de Brakke-grond of wat er geveild wordt. Tusschenbeide ruikt ’t er overheerlijk naar Vanille, dan weer ruik je Cassia (valse kaneel, BB); - dat artikel kent u wel, vader! ’t is dat goed, dat U altijd door de gemalen kaneel doet, om ze goedkoop te maken. Soms komt je een heer voorbij, die de geur van Tonkaboonen (een smaakmaker, BB) meedraagt en dan weer ruik je van alles door elkaar. Heere! Heere! vader! wat worden in dien hoek een artikelen verhandeld. U kunt je niet voorstellen hoeveel wel: - Verfhouten, Gember, Kaneel, Gom, Copal, Cubeben, (staartpeper, BB) Chinine, Camphor, Gomelastiek, Cacao, Bindrotting, Peper, enz. enz.

De koffiehoek grenst aan den wijnhoek; na den wijn de koffie, dat hoort zoo zegt mijn vriend. Koffie en suiker zijn twee zaken, die gewoonlijk samen worden verkocht, maar op de Beurs zijn ze een heel eind van elkander, want de suikerhoek is juist aan ’t andere eind. Mijn patroon doet ook in suiker, en daardoor kom ik er dikwijls. Evenwel heb ik er nog geen verstand van. Ik heb veel hooren spreken over titrage (de hoeveelheid raffinade per gewicht in procenten, ofwel het suikergehalte, BB) en glucose, maar ’t rechte begrijp ik er niet van. Doch dat is minder, want de boekhouder zegt, dat de meeste menschen ’t rechte er van ook nooit begrepen hebben en dat ik er later wel in geconfijt zal worden, als ik wat langer in de suiker ben...’.

Afgezien van de belegen humor en de oubollige 19de-eeuse stijl, krijgen we door van Maurik een goed beeld van hoe de Beurs van Zocher er van binnen uitzag. Maar helaas zaten commissionairs als Ronge en Drost daar bij dat postkantoortje dus wel in een winderige hoek. Hoe dan ook, het legde hen geen windeieren. In de raffinaderijen waar de suikerbieten werden verwerkt, lag dat wel anders. Daar moesten de arbeiders beulen onder mensonterende en gevaarlijke omstandigheden om uiteindelijk de geraffineerde suiker en de melasse naar de hoofdstad te krijgen. Net als de vis werd het ook het zoet aan de bron duur betaald.

 

 

Henk Drost woonde met Engelien en zijn twee stiefdochters Christina en Catharina aan de Heiligeweg, niet ver van de Kalverstraat. In 1882 verhuisde het gezin Drost naar een pand aan de Weteringschans. Ze keken schuin over het Eerste Weteringplantsoen op het zojuist gebouwde Rijksmuseum en zouden al het gedruis meemaken rond de Wereldtentoonstelling van 1883.

De oudst bekende foto van Hendrik Drost, circa 1888. Drost-archief DB 0153.

 

 

De familie Soutendam

 

De jongste dochter des huizes, Catharina Elisabeth had een vriend leren kennen, Coenraad Johan Anton Soutendam en de loop van de jaren tachtig werd die relatie serieus. Omstreeks 1885 werd besloten een fotograaf op te zoeken, vermoedelijk tijdens een uitstapje en zo werden er in Utrecht foto’s gemaakt van het gezin Drost en van de jonge geliefden, waaronder de oudst bekende foto van Henk Drost die hierboven in het groot staat afgebeeld.

In 1889 trouwden Coenraad Soutendam en zijn Catharina in Amsterdam, waarna het echtpaar naar Zwolle verhuisde. Coenraad was bij zijn huwelijk administrateur bij de Nederlands-Indische Handelsbank. Later werd hij benoemd tot adjunct-directeur van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam en tot administrateur der Gemeentelijke Ziekenhuizen in Amsterdam.

In Zwolle werd hun eerste zoon Jan geboren. Niet lang daarna verhuisden ze terug naar Amsterdam waar hun andere zoons Hendrik en Coenraad werden geboren. Hendrik was vernoemd naar zijn stief-grootvader Hendrik Drost. De moeder werd met haar eerste zoon Jan in Laren gefotografeerd. Het gezin bleef in Amsterdam wonen, alwaar Coenraads vrouw in 1923 stierf. Coenraad zelf bereikte de leeftijd der zeer sterken. Hij overleed in 1952, 89 jaar oud.

Coenraad Soutendam in Wijk aan Zee in 1899. Drost-archief DB 1813.

 

Nu Henk en Lien Drost hun kinderen niet meer in huis hadden, was er geen directe noodzaak meer om in Amsterdam te blijven wonen en in 1893 werd Villa Wilhelmina betrokken aan de Naarderstraat 4 in Laren. Henk kon nu naar keuze met de Gooische Stoomtram naar Amsterdam vanuit Laren, of de tram naar Hilversum nemen en daar de trein naar Amsterdam pakken.

Villa Wilhelmina van de familie Drost aan de Naarderstraat 4 in Laren NH. Aan het hek staan Catharina en een paar kinderen. Drost-archief DB 1801.

De Gooische Stoomtram bij Laren, 1898-1899. In de voorgrond Jan Soutendam, de ‘stief-kleinzoon’ van Henk Drost. Let op het stempel bovenin dat werd aangebracht door de Japanse bezetter tijdens WOII toen de familie Soutendam in Ned. Indië woonde. Drost-archief DB 1819.

Of de familie Drost in Laren een intensief contact had met de Drosten in Amsterdam werd niet overgeleverd. De auteur bespeurde een duidelijke onwetendheid als hij navraag deed over deze Drost. Men kende hem als mede-firmant van Ronge en Drost en uiteraard als Henkie de Zitreus, ontleend aan de bijnaam van de beroemde Goethe die dezelfde afwijking had en als Sitzriese door het leven was gegaan. Verder wist niemand iets bijzonders over de man te melden. Wel deed in de familie het gerucht de ronde dat hij ooit een enorm bedrag zou hebben gewonnen in een loterij. Hoeveel dat was, zal wel nooit bekend worden, maar hij zou zijn bezit veilig in een kluis hebben opgeborgen. ‘Anders geeft mijn vrouw het toch allemaal maar uit’, zou hij in vertrouwen tegen zijn broer Johan hebben gezegd.

Henk bleek, eenmaal oud geworden, niet bijzonder geliefd te zijn geweest bij de Drosten. Met name jongere kinderen hadden geen prettige herinneringen overgehouden aan deze in hun ogen kindonvriendelijke en gierige man. Henkie de Zitreus woonde in Hilversum aan de Stationsstraat en hield er jarenlang twee huishoudsters op na, Mien en Greet, van wie Greet overbleef. Zij was zijn gezelschapsdame en ging steevast mee als er ergens een Drostenfeest was. Iedereen kende haar en de jongere garde noemde haar tante Greet. Ze was een keurige verschijning en dermate door de familie geaccepteerd dat er een paar generaties later zelfs werd gedacht dat die twee getrouwd waren. Dat laatste was pure onzin en zal zijn ontstaan vanuit de badinerende toon waarmee nu eenmaal over iemand pleegt te worden gesproken van wie men weinig af weet. De Zitreus was sinds 1900 weduwnaar en zou tot zijn dood toe weduwnaar blijven. In 1928, drie jaar voor het overlijden van haar broodheer, trad Greet in het huwelijk met de gepensioneerde tramconducteur Boddéus, maar ze bleef Henk Drost tot zijn dood toe trouw dienen.

De auteur stelde een onderzoek in dat meer klaarheid kon geven in de rol van Henk Drost en de liaison met Ronge. De enige documenten die hij vanuit de familie Drost had verkregen, waren foto’s van Henk Drost in zijn najaren, dat was alles. Totdat het genealogisch onderzoek Henk Drost en zijn relatie met Ronge binnenkwam en daarmee de naam Soutendam. Hierin zag de auteur een aanknopingspunt om meer over de toch wat mysterieuze Zitreus te weten te komen. Alle in Nederland wonende Soutendams werden vanuit Australië opgebeld, met als resultaat dat er een nazaat boven water kwam die nog een albumpje uit die tijd bezat. Het was een achterkleinzoon van Coenraad Soutendam die met Catharina Ronge getrouwd was geweest. De naam Drost was hem bekend: ‘Dat was toch opa Drost?’ En toen kwam opeens vanuit dat album de echte Henk Drost tevoorschijn. Hieronder een greep uit de oogst uit dat kleine maar o zo waardevolle fotoboekje.

Op bezoek bij de familie Drees die ‘ Villa Gooioord’ aan de Naarderstraat 4 in Bussum bewoonde, op korte afstand van Villa Wilhelmina van de familie Drost. In het midden Henk Drost met op zijn knie Jan, de zoon van Catharina Soutendam.
Deze sfeervolle opname van het goede Gooise leven dateert van 1897. Drost-archief DB 1806.

Detail.

In de tuin van de familie Drees, ‘Villa Gooioord’, Bussum. Zittend op de grond Catharina Soutendam met Hendrik, staand in de voorgrond de oudste zoon Jan. Geheel rechts Henk Drost. De augurk naast hem is onbekend. Foto van 1897. Let op het stempel dat de Jappen gedurende WOII op de foto hadden gedrukt. Drost-archief DB 1804.

Tegen het einde van de 19de eeuw begon het af te lopen met Engelien Drost. In de zomer van 1899 liet ze zich nog fotograferen, tezamen met haar man Henk en haar dochter Catharina met haar twee zoontjes Jan en Hendrik. De foto toont een gezicht dat al afstand aan het nemen is van het leven. Een maand of negen later zou ze overlijden.

Op het Eikenbankje in Laren, zomer 1899. Drost-archief DB 1805.
Deze interactieve foto kan namen van personen tonen en hun plaats in de genealogie.

Na de dood van Engelien bleef Henk nog enkele jaren in zijn villa aan de Naarderstraat wonen en zijn stiefdochter en haar gezin waren daar ook dikwijls te vinden. Zo kwam Coenraad, het derde kind van de Soutendams in het huis van weduwnaar Henk Drost ter wereld. Het was deze jongste spruit die later naar Nederlands Indië zou gaan. Daar kwam hij terecht in een Jappenkamp, waarbij het albumpje met oude foto’s in Japanse handen kwam. Iedere pagina werd door de bezetter bekeken en iedere foto kreeg een stempel. Gelukkig werden de bezittingen van de geïnterneerden keurig bewaard en nadat Japan was verslagen, kreeg Coenraad Soutendam zijn spullen weer terug en zou het album aan zijn terugreis naar Nederland beginnen waar het thans in handen is van Maarten, de kleinzoon van Coenraad.

Greet en Mien, 1915.
Drost-archief DB 1839.

In 1903 verhuisde Henk Drost naar de Stationsstraat in Hilversum, op een steenworp afstand van het station. Verstandige zakenlieden deden dat, want zo bleef de lijn met de hoofdstad kort. Koetsjes en taxis’s waren altijd comfortabel binnen handbereik en dat was natuurlijk handig als er een bezoek in de buurt moest worden afgelegd. De twee huishoudsters Mien en Greet verhuisden mee.

Er is altijd een goed contact geweest tussen Henk en de rest van de Amsterdamse Drosten. In hoofdstuk 10 ‘Van Feesten en Partijen’ geeft hij bij de meeste feesten acte de présence. Steevast was hij vergezeld van zijn huishoudster Greet Boddéus-Schothorst die door de jongere garde tante Greet werd genoemd. Al stond ze op die grote groepsfoto’s altijd wat op de achtergrond tussen al die chique geklede en welgestelde mensen, ze hoorde er helemaal bij en werd ook als zodanig geaccepteerd. Greet was een toegewijde gezelschapsdame en belezen zal ze zeker zijn geweest. Ze liet zich graag fotograferen met een boek in haar handen. Voor Henk Drost moet ze een volwaardige huisgenoot zijn geweest die hij als zijn gelijke zal hebben behandeld, althans voor zover dat in het vermogen lag voor iemand die het grootste deel van zijn leven in de 19de eeuw had verkeerd.

Maar ondanks dat Henk aanwezig was op feesten van zijn broer Johannes Drost en diens kinderen, zal zijn hart zal toch het meest verpand zijn geweest aan het gezin van zijn stiefdochter, een gezin dat hem als een volwaardige opa zag en waar hij zich kennelijk bij thuis voelde. Wie de bovenstaande foto’s goed bekijkt, ziet een man met een warm gezicht en vriendelijke ogen. Op de foto’s die in Laren werden genomen bij de familie Drees, is een volkomen ontspannen en gelukkige Henk Drost te zien die een jochie op zijn knie heeft zitten, Jan, de oudste zoon van zijn stiefdochter. Die Larense opnamen uit het einde der 19de eeuw laten een man zien die niet poseerde - integendeel - en die duidelijk in harmonie was met zijn omgeving. Van zijn broer Johan heeft de auteur ruim drie maal zoveel opnamen in het archief, maar op alle foto’s wordt strak gekeken en nergens is ook maar een glimp van een kind op schoot te bekennen. Die foto’s zijn geheel in lijn met het sfeerbeeld dat enkele nazaten schetsten over de jeugd van de rond 1900 opgroeiende kinderen van Johan aan de Keizersgracht: het ontbreken van warmte.

Bij Johans broer Henk moet dat laatste kennelijk toch anders gelegen hebben. Hij had het opgebracht om huisvader te zijn van een gezin dat in feite niet het zijne was, hij was als een opa geweest voor de kinderen van zijn stiefdochter en die kinderen trouwden en kregen ook weer kinderen. ‘Opa Drost’ maakte het allemaal mee. Misschien raakte hij op zijn hoge leeftijd ook wat vervreemd van de Drosten-neefjes en -nichtjes die hem wel eens bezochten en met wie hij zich kennelijk minder verbonden voelde. Wie weet zal het hem ook wat gestoken hebben dat hij bij de Drosten als de zonderlinge en gierige Henkie de Zitreus door het leven ging. Het kulverhaal dat hij getrouwd zou zijn geweest met zijn huishoudster geeft aan dat de familie weinig van hem wist, weinig van hem moest hebben of slechts in badinerende toon over hem wist te spreken. Hoe dan ook, het respect voor hem als ‘opa Drost’ kwam van de Soutendams en klonk zelfs nog door in de woorden van de achterkleinzoon van Coenraad, de man van zijn stiefdochter. De naam Drost had na bijna een volle eeuw nog steeds een warme klank bij de familie Soutendam.

Henk Drost met huishoudster Greet. Zandvoort circa 1915. Drost-archief DB 1832.

Met de Gooi- en Eembode in de achtertuin van Sationsstraat 10 in Hilversum, circa 1915. Drost-archief DB 1822.

 

 

Een overgeleverd Drostenrecept

De Drosten hielden van lekker eten en zoals wel vaker bij betere families, circuleerde er bij de Drosten van de oude stempel een serie menu’s met een looptijd van een aantal weken, meestal twee. In de gezinnen als die van Hendrik en Johannes wist iedereen dus precies wat het personeel die week en de daaropvolgende week op tafel zou zetten. Deze traditie van het tweewekelijkse roulatiesysteem werd door de gebroeders Hendrik en Johannes Drost voortgezet, ook nadat ze weduwnaars waren geworden.

Hier komt zo’n typisch Drostenrecept. Fie, de dochter van Johannes gaf het door aan haar nazaten. Haar kleinzoon Dries Heeroma en zijn vrouw Agnes gaven het traditionele recept door aan de auteur die met zijn vrouw Ethne die dag in huize Heeroma van het gerecht had mogen genieten.

Jachtschotel

1½ Kilo runderriblappen in stukken
2 Kilo uien snipperen
2 Kilo aardappelen voor puree
Appels, ontbijtkoek, zout, peper, piment, laurierblaadjes, sambal en een glas rode wijn

Vlees aanbraden met zout, peper, dan gesnipperde uien toevoegen, piment, laurierblad en glas rode wijn.
Dit ongeveer 3½ uur zachtjes stoven.
Dan twee plakjes ontbijtkoek in stukken toevoegen plus de sambal. Nog een half uurtje stoven en af laten koelen.
De volgende dag aardappelpuree maken.
De schotel vullen met eerst een laag puree, dan een laag hachee, daarop plakjes appel en dan weer een laag puree.
Vervolgens paneermeel en boter erop en ongeveer 1 uur in de oven op 200 graden.

 

 

Henk Drost met zijn onafscheidelijke krant. Circa 1925. Drost-archief DB 0564.

Henk Drost in zijn laatste jaren. Circa 1930. Drost-archief DB 1823.

Toen Henk in 1931 overleed, kwam zijn band met de familie Soutendam pas goed aan het licht. Hij had Coenraad, de weduwe van zijn stiefdochter benoemd tot executeur testamentair. Het testament was ten tijde van het onderzoek door de auteur nog niet openbaar, maar het ligt voor de hand dat het vermogen van Henk Drost voor een niet onaanzienlijk deel naar de Soutendams zal zijn gegaan. Was dat laatste anders gelopen en zou zijn vermogen alleen onder de Drosten zijn verdeeld, dan zou er door die Drosten waarschijnlijk anders over deze markante en vermogende Drost zijn gesproken, de koopman die aan de basis stond van de firma Ronge en Drost en die zijn broer en daarmee de familie Drost ooit de kans aanreikte tot grote welvaart te komen.

Advertenties in het Handelsblad. Drost-archief Knipselmap 2.

Top

Hoofdstuk 5     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 7

Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.