Hoofdstuk 8     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 10

Bert Bolle

 

Hoofdstuk 9

Een Tijd van Bloei - Bruidssuikers voor de Suikerbaron - II

De meisjes vliegen uit

 

H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________

Fie

Fie, de middelste dochter van Johan Drost sr was een knappe verschijning, al was ze tamelijk klein van stuk. Haar kaarsje zou met 87 jaren het langst blijven branden van de vijf kinderen Drost, al werd er aan haar levensboompje wel heel heftig geschud. Niet alleen was ze op zeer jonge leeftijd haar moeder kwijtgeraakt, maar kort na haar huwelijk verloor ze haar lievelingszusje Mies. Midden in de jaren twintig stierf haar zoontje en ongeveer tien jaar later haar man. Die man heette Andries van Ellinkhuizen. Ze was lidmaat van de Waalse Kerk evenals de rest van het gezin Drost, maar alleen van Fie is er een inschrijvingsbewijs bewaard gebleven.

Inschrijvingsbewijs van Sophie Drost als lidmaat van de Waalse Kerk in Amsterdam. Drost-archief DD 111.

Ze zullen elkaar ergens in 1907 hebben leren kennen, Fie en Dries. Veel eerder is niet waarschijnlijk. Toen Fie haar vriend in november 1907 een kaartje stuurde met het verzoek om enkele kaarten mee te nemen ‘voor het bal van de Spiraal’, schreef ze zijn achternaam als ‘Ellinckhuijzen’, en zonder ‘van’. Ze kenden elkaar blijkbaar dus nog maar kort, óf ze moet geweten hebben dat de familie voor 1800 die naam als ‘Ellinckhuysen’ schreef.

  

Drost-archief DD 180 a en b.

Het is heel goed mogelijk dat ze elkaar leerden kennen op een dansavond, want het beheersen van de danskunst hoorde onlosmakelijk bij de betere kringen. Echter, gemengde dansclubs voor jongelui waren er in die jaren nog niet, zeker niet voor de betere stand. In die jaren van calvinistische preutsheid was het gebruikelijk dat de jongedames met elkaar dansles kregen, dus zonder jongeheren. De voor de hand liggende dansschool voor de familie Drost was die van de bekende dansleraar Bernard Leefson die samen met zijn broer Jacques een dansschool had aan de Prinsengracht op een steenworp afstand van waar Fie als kind opgroeide. Op de Cours de Danse van Leefson leerde je niet alleen de wals, maar ook de mazurka, de polka en de pas des patineurs. Helaas waren er nauwelijks dansscholen voor jongens, zodat er tijdens de meeste soirees voornamelijk de minder ingewikkelde walsen werden gespeeld.

Drost-archief DD 113 en DB 0159.

Leefson liet voor zijn cursisten balboekjes drukken. Een huwbare jonge vrouw van omstreeks 1900 had immers een balboekje waarin de gegadigden voor zo’n dansavond werden genoteerd. Voor Fie was de keus niet moeilijk. Ze had eigenlijk maar één gegadigde, en dat was Andries van Ellinkhuizen. Bij maar liefst zes van de negen dansen vulde ze zijn naam in en het was dan ook overduidelijk wie ze poogde te erlangen als gegadigde voor een serieuze relatie. Alleen de Pas des Patineurs wilde ze dansen met ene Dany en de mazurka liet ze open, evenals La Charmeuse die door haar leraar Bernard Leefson was gechoreografeerd en door zijn broer Jacques van de muziek was voorzien.

Han met zijn moeder Anna. In het midden Fie met haar verloofde Andries van Ellinkhuizen. Rechts zit Mies. Hilversum 1908. Drost-archief DB 0379.

Twee hartsvriendinnen. Martha Gnirrep (links) met Fie Drost, circa 1908. Drost-archief DB 0154. Voor de naam Gnirrep: klik hier.

Friedrich Elias Perring, afkomstig uit Pyrmont, deserteerde in 1804 en huwde te Amsterdam onder de naam Gnirrep. Bron: Spiering R. van der, Njim maan si Perrin, in: De Bovenkamer. Magazine van het Algemeen Rijksarchief (1996), nr 3, p 51; Harthoorn P.A., Een familieverhaal aan de werkelijkheid getoetst, in: GN 6 (1951), p 201.

Dries van Ellinkhuizen, gefotografeerd in 1908. Drost-archief DB 1724.

Andries woonde aan de Tweede Oosterparkstraat in Amsterdam Oost, in die tijd nog een chique buurt. Hij was begonnen als kantoorbediende en had het gebracht tot architect. Dries zal in het begin wel hebben moeten wennen aan de levensstijl van de Drosten, want hijzelf kwam uit een betrekkelijk eenvoudig milieu. Zijn ouders staan afgebeeld in het hoofdstuk over de fotograaf Albert Greiner. De vader van Andries werkte bij De Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij, bepaald niet een onbemiddeld man die een eigen huis had en enkele beleggingspanden had geërfd, maar dat stelde weinig voor vergeleken bij wat vader Drost bezat. In de familie van Ellinkhuizen werd geen Frans gesproken, ze stonden met beide benen op de grond. Andries had wel wat anders te doen dan dansscholen aflopen om allerlei wonderlijke passen in te studeren. Als jongeling leerde je de wals onder de knie te krijgen en dat was het wel. De liefde tussen Andries en Fie zal er niet onder geleden hebben. Al spoedig waren ze geëngageerd en midden in de winter van 1910 trouwden ze.

Dries was zich gaan specialiseren in constructies van gewapend beton. Samen met zijn collega Dirk Willem Hinse wilde hij een bedrijf opstarten voor de uitvoering van werken in gewapend en ongewapend beton. Op 5 september 1911 werd een Vennootschap onder Firma opgericht onder de naam Hinse & van Ellinkhuizen, gevestigd aan de Nassaukade 504. Volgens de akte was Andries cementijzer-constructeur. Al spoedig had Dries geld nodig en klopte bij zijn schoonvader aan voor een lening. Tegen een rente van 5% die later werd bijgesteld naar 4,5% leende Dries het toentertijd zeer forse bedrag van ƒ 10.000,- Reeds een jaar later, in mei 1913 werd de firma alweer opgeheven, hoewel er sprake was van grote opdrachten. Waarom de firma stopte, is niet bekend. Een jaar later zou het echtpaar van Ellinkhuizen naar Antwerpen vertrekken om daar te wonen.

 


Opoe Niezel

De familie van Ellinkhuizen is een oude Amsterdamse familie. De genealogie gaat tien generaties terug, maar het voert te ver om daar in dit Drostenboek al te diep op in te gaan.

Oorspronkelijk was de familienaam Ellinkhuysen, zonder ‘van’, maar omstreeks 1800 kreeg de achternaam zijn huidige vorm. In 1817 werd Andries geboren. Hij was onderwijzer in Assen en dreef sinds 1852 een restaurant aan de Lange Niezel 18 dat na zijn overlijden in 1871 door zijn vrouw Gesina werd voortgezet.

Andries en Gesina van Ellinkhuizen hadden vier kleinkinderen, Andries, Jan Frederik, Gerritje en nakomertje Annie. De eerste drie kleinkinderen verloren op jeugdige leeftijd hun moeder, dat was in 1890. Hun vader hertrouwde, maar ook hier kwam helaas de spreekwoordelijke stiefmoeder ten tonele die haar stiefkinderen niet leuk behandelde. Om de kilte in huize van Ellinkhuizen te ontvluchten, zochten de kinderen het liefst hun heil bij hun oma van het restaurant aan de Lange Niezel waar ze de warmte vonden die ze thuis moesten ontberen. Ze werd door de kinderen Opoe Niezel genoemd.

Gesina Maria Becker (Opoe Niezel) omstreeks 1885.
Drost-archief DB 1834.

Het restaurant van Opoe Niezel en haar man heette De portions-tafel ‘t Koningsloo. De bekende chroniqueur Justus van Maurik beschrijft het café in zijn boek Toen ik nog jong was, waarin hij een rondgang maakt door de buurt rond het Oude Kerksplein en allerlei eetgelegenheden de revue laat passeren die bezocht worden door Duitse landarbeiders, de zogeheten hannemaaiers ofwel Hannekemaaiers. Van Maurik’s taal was bepaald niet vleiend over die arme sloebers die keihard moesten werken voor een karig loon.

‘Ik verzeker je dat zoo’n mof zonder veel sporreling een heel roggebrood met ’n pond van dat gele, galsterige spek naar binnen schoof en dan om z’n mond af te vegen, bij Ellinkhuizen in de Lange Niezel nog een paar borden gestoofd eten ging kopen. Och! dat was daar zoo’n aardige gelegenheid. De portions-tafel ’t Koningsloo heette ie. De moffies kwamen daar graag, omdat je voor vijf centen zoo’n machtig groote portie gestoofd eten kreeg. Groente met aardappelen, bruine boonen met azijn en stroop, uien met wortelen of biet door mekaar gekoeskoesd, snijboonen met witte boonen, gestampte rooie kool, was klokspijs voor d’r lui’.

Daarna beschreef van Maurik de slechtst denkbare keuken van de concurrent waar men nóg goedkoper terecht kon. Justus van Maurik hield echter van overdrijven - soms fantaseerde hij er maar op los - en lanceerde sappige gechargeerde teksten die soms tot irritatie leidden.

‘Een gewoon burgermensch was niet dol op zulke ménage, maar zoo’n mof dacht zeker: “vieze varkens worden niet vet” en smulde maar raak, en Ellinkhuizen zei: “dat maaiersvolk heit toch geen proef, omdat ’r nog te veel gras tusschen d’r kiezen zit.”. Logeeren wou ie ze niet; hij had er anders ’s nachts best plaats voor gehad, z’n huis was dan toch leeg, maar hij moest ’r niks van hebben; ze maakten z’n boel al smerig genoeg met ’r modderlaarzen en d’r tabakspruimen’.

Al met al waren de kinderen van Opoe Niezel dusdanig verbolgen dat zij een rechtszaak aanspanden tegen van Maurik om hem dat citaat van hun vader te laten rectificeren. Hoe die zaak afliep, werd niet overgeleverd.



 

Trouwfoto uit 1910 van Andries van Ellinkhuizen en Fie Drost. Drost-archief DB 0555.

De nota voor de trouw- en volgkoetsen voor de rit naar stadhuis en kerk was voor de vader van de bruid die door stalhouder Bakhuizen tot de heer Droste werd gepromoveerd. We lezen: 20 Jan: Trouw Coes 2/,, (met twee man op de bok) - 4 Land (landauers) 2/,, Gummi (met rubber-zeildoek overdekt) Stadhuis - Kerk met Tooi - Palvrenier. Drost-archief DD 179.


In 1914, kort voor de Eerste Wereldoorlog verhuisden Dries en Fie vanuit Amsterdam naar Antwerpen, alwaar hun zoon Driesje op 19 juni ter wereld kwam. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader Andries Hermanus van Ellinkhuizen.

Een trotse Fie met haar pasgeboren Driesje. Antwerpen, zomer 1914. Drost-archief DB 0170.

Het was een prachtige zomer en West-Europa genoot uitbundig van het mooie weer. Maar op 28 juni, amper een week na de geboorte van Driesje van Ellinkhuizen, werd de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand vermoord door de Serviër Gavrilo Princip. De Donau-monarchie Oostenrijk-Hongarije had nu een aanleiding om Servië te annexeren. Bondgenoot Duitsland stond klaar om zijn Oostenrijkse en Hongaarse buren te hulp te schieten. Rusland daarentegen verklaarde Servië te zullen steunen. Koud een maand na de aanslag op Frans Ferdinand verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië en daarmee was er een gruwelijke vernietigingsmachine in gang gezet.

Op 4 juli 1914 stuurde Fie een felicitatiekaartje naar haar neefje Chas voor zijn jaardag. De Eerste Wereldoorlog was toen aan het opkomen, al was Fie zich daarvan op dat moment nog niet echt bewust. Opvallend is dat Fie het tot tweemal toe tegen haar neefje heeft over zijn Vader en Moeder. Kennelijk was Amalia Gläfke al helemaal in het gezinnetje van weduwnaar Charles opgenomen. Ze zouden in mei 1915 trouwen.

Briefkaart van Fie aan haar neefje in Amsterdam. Drost-archief DD 132.
De transcriptie: 4 juli 1914, Anvers. Lief Sasje, Hartelijk gefeliciteerd door oom Andries en tante Fie en klein Driesje. Wordt maar gauw een groote jongen, dan mag je het volgende jaar misschien met Vader en Moeder een weekje bij Driesje komen spelen. Wat heerlijk dat je met Juf naar Hilversum gaat. Ga maar veel naar de bosschen hoor, zoodat je als een gezonden Hilversumsche boer weer bij Papa en Mama thuis komt. Als Oom en Tante in Amsterdam komen krijgt Sasje een mooi cadeautje. Vele kusjes van Oom Dries, Tante Fie en Driesje. Ook van tante baker de hartelijke gelukwenschen.

Alles ging opeens razendsnel. Op 30 juli mobiliseerde Rusland, waarop Duitsland ook de mobilisatie afkondigde en op 1 augustus Rusland de oorlog verklaarde. Ruslands bondgenoot Frankrijk mobiliseerde toen ook. Duitsland verklaarde Frankrijk de oorlog en begon meteen met een opmars door België, waarop Engeland aan Duitsland de oorlog verklaarde. Begin augustus 1914 waren alle Europese grootmachten elkaar in de haren gevlogen. Het jonge gezin van Ellinkhuizen-Drost stond natuurlijk doodsangsten uit, daar in Antwerpen, maar hun verblijfspapieren waren in orde en als Nederlandse onderdanen ondervonden ze weinig last. Toch namen ze uiteindelijk het zekere voor het onzekere en verhuisden in september 1915 terug naar hun eigen neutrale Nederland.

Terug in Amsterdam. Dries en Fie met hun Driesje. Drost-archief DB 1731.

Dries en Fie betrokken een tamelijk modern huis in de Pretoriusstraat in Amsterdam, begin 20ste eeuw aangelegd in de voormalige Over Amstelse Polder, grenzend aan de gemeente Watergraafsmeer. Maar ook zij werden aangetrokken door het Gooi, met name Hilversum waar ze later dan ook zouden gaan wonen.

Driesje in december 1915. Drost-archief DB 1726.

  

Fie met Driesje in de zomer van 1915. Drost-archief DB 0313 en 0166.

Dries wilde dolgraag weer aan de slag en zodra de Eerste Wereldoorlog voorbij was, werd hij mede-vennoot van de firma C. Alberts en Zoon, aannemers van bouwwerken. Deze firma was opgericht in 1863 door Cornelis Alberts die het bedrijf met zijn zoons runde, eerst met Martinus, later ook met Barend Cornelis. De Albertsen bouwden onder meer het Stedelijk Museum en de Rijkspostspaarbank. Een andere broer, Henk zat in de rottinghandel en zou in 1915 trouwen met Femme, de zuster van Fie.

Sinds 1908 waren de broers Martinus en Barend Cornelis overgebleven in het bouwbedrijf en na de Eerste Wereldoorlog zocht de firma uitbreiding door het oprichten van een afdeling gewapend beton. Het was vanwege dat laatste dat Dries van Ellinkhuizen werd opgenomen als mede-vennoot. Dat was in december 1918. De oorlog was toen nog maar nét voorbij. De inleg van Dries in de firma was hetzelfde bedrag dat hij in 1912 van zijn schoonvader had geleend: ƒ 10,000.-, een bedrag dat hem overigens in 1916 was kwijtgescholden. Zijn stap om samen te werken met de Albertsen was een verstandige geweest. Het trio Alberts en van Ellinkhuizen vergrootte zijn klinkende naam en sleepte onder meer de hoogste onderscheiding in de wacht, de Grand Prix voor de uitvoering van bouwwerken die de firma mocht ontvangen op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs in 1925 en de toekenning van de medaille van de 9de Olympiade voor het maken van de Olympische Roeibaan met bijgebouwen.

Reclamevignet van de firma C. Alberts & Zn. waarvan Dries van Ellinkhuizen mede-vennoot was. Het ontwerp was van kunstenaar Herman Heuff die met Dries bevriend was. Drost-archief DD 194.

  

Links: Fie en Dries met Driesje temidden van Jo en Alie Drost met Johnnie, Eddy en Fietje. Rechts: Driesje tussen Eddy en Fietje met Johnny erachter. Drost-archief DB 0389 en 0194.

De firma Alberts was gevestigd aan de Weespertrekvaart en om de klanten comfortabel daarheen te vervoeren, was omstreeks 1920 een salonboot was aangeschaft. Met die boot werden in de jaren twintig tevens ettelijke privétochtjes gemaakt. Daarover in het tweede deel van dit digitale boek.

De salonboot Ties, varend op de Amstel bij brug 246 ofwel de Hogesluis, circa 1920. In de achtergrond het Paleis voor Volksvlijt. Drost-archief DB 1757.

Mies

De jongste van de drie dochters Drost was Mies. Zij zal zich haar moeder niet meer bewust herinnerd hebben, want ze was amper twee toen Sophia Krone stierf. Mies groeide uit tot een bijzonder knappe verschijning en misschien nét een tikje ‘statiger’ dan haar twee oudere zussen dat waren.

Mies in haar ouderlijk huis Villa Rosmade in Hilversum in 1908. Drost-archief DB 1741.

Mies gefotografeerd in Amsterdam in 1910. Drost-archief DB 0160.

Zoals dat wel vaker gebeurt in families, introduceert een aanstaande schoonzoon of schoondochter weer nieuwe kennismakingsmogelijkheden in de gedaante van een broer of een zus. Een van de hartsvriendinnen van Fie Drost was Martha Gnirrep, een wat wonderlijk klinkende achternaam die van oorsprong afkomstig was uit het Frans. Ooit luidde de naam Perring, maar een voorvader had een moverende reden gehad de naam te vernederlandsen en gebruikte hem sindsdien achterstevoren. Martha Gnirrep was bevriend met Jan Cramer en het jonge stel had trouwplannen. Fie die kind aan huis was bij de familie Gnirrep, ging als vanzelf ook wel eens met Martha mee naar familie Cramer. Zo kwam het dat Jans broer Theo in de picture kwam. Als spoedig bleek dat Theo en de nog prille Mies Drost het bijzonder goed met elkaar konden vinden. Niet lang na het huwelijk van Fie en Andries van Ellinkhuizen werd hun relatie serieus en in de zomer van 1912 verloofden Theo en Mies zich.

Mies Drost en Theo Cramer, kort na hun verloving in de zomer van 1912, in Baarn. Mogelijk had de familie Drost ook daar een zomerverblijf.
Deze interactieve foto kan namen van personen tonen en hun plaats in de genealogie.

Theodorus Cramer was ooit begonnen met een karig salaris als klerk en had zich opgewerkt in de wereld van de cijfers en van het beleggingsgeld, onder meer bij de firma Meijer. Met name de handel op de effectenbeurs intrigeerde hem. Theo wilde op de beurs met compagnon Honhoff starten en had entreegeld nodig om lid te worden van de beurs. Hij trok de stoute schoenen aan en wist het vertrouwen van zijn aanstaande schoonvader Johannes Drost dusdanig te winnen, dat deze hem het in die tijd enorme bedrag van rond de zesduizend gulden wilde lenen. Zo werd het mogelijk om de firma Cramer & Honhoff op te richten, hetgeen in februari 1913 aan Heeren Leden der Vereeniging voor den Effectenhandel werd aangekondigd. Een vliegende start voor Theo en een succesvolle. Het inzicht van vader Drost de suikerbaron was weer eens goed geweest. Zijn jongste dochter Mies had een goede partij.


Machinistenleed

Jacobus, de vader van Theo Cramer ‘stond op de machine’. Hij was machinist bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Een van zijn broers had een zoon die bij diezelfde HIJSM een hoge positie had. Zijn oom Jacob was dus een van zijn ondergeschikten.

In 1903 braken de Spoorwegstakingen uit. Conflicten liepen uit de hand en in april werd de staking algemeen. Uiteindelijk moesten het leger en de Bonden van Orde de stakingen de kop indrukken.

Stakerspamflet uit 1903. Drost-archief DD 074.

De stakers verloren de strijd en enkele duizenden spoorwegbeambten werden ontslagen. Zo’n tien procent van de de werknemers bij de Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij raakte zijn baan kwijt.

Maar machinist Cramer bleef. Hij had niet tot de stakers behoord, maar of dat geheel uit eigen vrije wil was gebeurd, is niet bekend. Feit is dat hij door zijn neef op straffe toon zou zijn toegesproken over de staking. De neef had zijn oom letterlijk bevolen niet mee te doen. ‘Denk erom, de Cramers rijden!’ was het parool geweest. De neef zat dicht bij het vuur en wist dondersgoed dat zijn oom zonder pardon zou worden ontslagen als hij met de stakers mee zou doen. Jacob Cramer ging dus rijden en behield zijn baan. Maar zijn neef was in die dagen ook zelf op en van de machines geklommen.

Toch zou de trouw van Jacob Cramer aan het spoorbedrijf een forse deuk oplopen. In die dagen was het de gewoonte bij veel machinisten om bij extreme koude zo nu en dan een slokje jenever te drinken. Die locomotieven waren open en boden nauwelijks bescherming tegen de winterse buitenlucht. Maar drinken op de loc was streng verboden en werd bestraft met ontslag. Zo’n ‘slokkie’ moest dan ook tot elke prijs onopgemerkt blijven.

Op een dag ging het mis. Een collega van Jacob Cramer had kennelijk nét iets meer ingenomen dan goed voor hem was en reed pardoes tegen de locomotief van Jacob aan. Beide mannen werden ondervraagd, maar Jacob dekte zijn collega door te verklaren dat deze niet gedronken had. Dat leugentje om bestwil kwam machinist Cramer duur te staan. Het kostte hem zijn bevordering tot hoofdmachinist.

Jacob Cramers liefde voor de HIJSM was daarmee over. Zijn zoons Theo, Jaap en Jan die waarschijnlijk ook bij de spoorwegen zouden zijn gaan werken, zagen van hun plannen af en kozen andere richtingen. Jaap ging in verzekeringen en Jan kreeg een goede baan bij de de Koninklijke Hollandse Lloyd. Theo ging de effectenhandel in en wist het op de Beurs te brengen tot een alom gerespecteerde en integere vakman.

 

Mies, circa 1910. Drost-archief DB 0158.

Theo en Mies trouwden eind 1913 en gingen in Amsterdam wonen aan de Prinsengracht, vlakbij de zaak van de vader van Mies. De zaken aan de beurs gingen bijzonder goed en Theo was al druk bezig zijn schoonvader de lening terug te betalen. Maar het was 1914, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de financiële wereld sloeg de onzekerheid toe en er dreigde paniek te ontstaan. De beurs werd gesloten, waardoor er voor het jonge stel Cramer niet best uitzag, maar ook in andere bedrijfstakken heerste grote onzekerheid. ‘Bij Pa op kantoor is het razend druk, en hij zit ook al in angst, daar er reuzen bedragen onder de menschen uitstaan en je niet meer weet wie goed en wie niet goed is’, zo schreef Mies aan haar zuster ‘Phie’ in Antwerpen op 3 augustus, de dag dat Duitsland aan Frankrijk de oorlog had verklaard en België was binnengevallen. De brief arriveerde in Antwerpen op de 5de, en inmiddels was België volop in oorlog en had ook Engeland zich in de strijd gestort.

Fragment van de aangrijpende brief van Mies aan haar zuster ‘Phie’ van 5 augustus 1914. Drost-archief DD 183.

Mies was zes maanden heen toen de ze brief aan haar zuster schreef. ‘Mijn tijdje schiet nu al op’. Ze beschreef haar teleurstelling toen ze was wezen winkelen met de vrouw van compagnon Honhoff. Die hadden Mies hun wiegje gegeven en dat wilde ze bij Woltering laten opmaken. De kosten zouden 30 gulden bedragen, schreef ze. ‘Toen ik nu ‘s avonds van Theo hoorde, hoe ‘n paniek het op de beurs was, heb ik ‘s avonds nog Woltering opgebeld en de wieg afbesteld’. Zo onzeker was de situatie van dat moment. Wanneer je als auteur dan weet wat voor vreselijks er drie maanden later met de aanstaande moeder zou gebeuren, steek je zo’n brief niet onbewogen meer terug in het archief.

In november 1914 sloeg het noodlot toe in huize Cramer. Het kindje dat Mies gedragen had, werd dood geboren. En of dat al niet erg genoeg was, stierf in het kraambed ook Theo’s geliefde Miesje.

Drost-archief DD 184.

Ondanks alle verdriet en ontreddering waren er voor Theo Cramer ook lichtpuntjes. Zo werd hij door de familie Drost als volwaardig familielid geaccepteerd en die situatie bleef, ook toen Theo weer een nieuwe liefde had gevonden. Wanneer dat is geweest is niet bekend, maar hij komt niet op de foto’s voor van de feestelijkheden rond de huwelijken van zijn zwager Charles en zijn schoonzuster Femme, beide in 1915. Theo Cramer was een integer mens met een sobere levensstijl en nam kennelijk gepaste afstand.

 

 

 

Laideronnette, Impératrice des Pagodes

Impressionisme in optima forma


Van de vele stromingen in de muziek behoren het impressionisme en het expressionisme tot de grote favorieten van de auteur. Niet alleen het credo ‘Eerbied voor het oude maar open ogen voor het nieuwe’ dat zo duidelijk in de post-romantische muziekvormen is terug te vinden is de auteur op het lijf geschreven, maar vooral ook het onconventionele, het tegendraadse, het ‘durven te durven’, heeft hem van jongs af aan altijd erg aangesproken en de muziek van de ‘durvers’ hoort daar zeker bij.

Maurice Ravel

Bron: Wikimedia Commons.

Baanbrekers in het muzikale impressionisme als Eric Satie en Claude Debussy inspireerden componisten als Maurice Ravel die de vernieuwingsgedachte verder uitbouwden en onsterfelijke werken nalieten. En bij een grootheid als Ravel was dat heel wat meer dan de overbekende Boléro alleen...

Maurice Ravel werd in 1875 in de Franse Pyreneeën geboren. Hij studeerde aan het Parijse conservatorium en volgde bij Gabriel Fauré lessen in compositieleer. Omstreeks 1900 componeerde hij zijn eerste werken, meestal voor piano. In 1907 zag zijn eerste bekende orkestwerk Rhapsodie espagnole het licht. Grote roem verwierf hij rond het einde van de jaren twintig van de 20ste eeuw met zijn muziek voor het ballet Boléro en zijn twee pianoconcerten.

Een van de bekende werken van Ravel is zijn pianocompositie Ma Mère l’Oye, de sprookjes van Moeder de Gans. Hij schreef dit werk in de jaren 1908-1910. De auteur koos voor u deel III, Laideronnette, Impératrice des Pagodes. Overigens is dit stuk gebaseerd op het sprookje Le Serpentin vert van Madame d'Aulnoy. Hoe dan ook, dit is impressionisme in optima forma. Japanse klankkleuren zijn het die ditmaal het sfeerbeeld bepalen. In het bijschrift van zijn partituur laat Ravel ons een citaat uit het sprookje lezen:

‘Elle se déshabilla et se mit dans le bain. Aussitôt pagodes et pagodines se mirent à chanter et à jouer des instruments : tels avaient des théorbes faits d’une coquille de noix ; tels avaient des violes faites d’une coquille d'amande; car il fallait bien proportionner les instruments à leur taille’.

Monique Haas legde dit pianowerk in 1968 vast voor Erato in de ondergrondse studio nabij de Champs Élysées in Parijs. In die tijd waren de isolatietechnieken nog niet zo best en zelfs nog op de digitale remastering viel elders op de CD het vertrekken te beluisteren van de Parijse métro. Maar gelukkig bleef deze ‘Franse slag’ Moeder de Gans bespaard...

Mocht bovenstaande muziekspeler niet werken, probeer dan de volgende.

 

 

Maria Hölzel was opgegroeid als wees. Waarschijnlijk heeft ze haar ouders nooit gekend. Ze werd opgevoed in het doopsgezinde weeshuis in Haarlem. Er was een goede band tussen de wezen en de beheerders van het weeshuis, het echtpaar Kars. Zij werden Vader en Moeder genoemd. Marietje volgde een opleiding nuttige handwerken. Nadat die met goed gevold was afgesloten, werd er voor Marietje een winkel in Baarn verzorgd waar zij haar vak kon uitoefenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg ze veel opdrachten van de welgestelde dames in Baarn om sokken te breien voor de soldaten die moesten dienen in verband met de mobilisatie. Marie verdiende daar een karig extra centje mee. Dat ze later door haar huwelijk met Theo Cramer een welgestelde vrouw zou worden, wist ze toen nog niet.

Maria Hölzel en Theo Cramer in 1919. Drost-archief DB 1831.

Theo en zijn Marietje trouwden in de gemeente Watergraafsmeer in 1917. Het echtpaar werd op een allerhartelijkste manier in de familie Drost opgenomen en ondanks dat Theo en zijn nieuwe echtgenote in feite geen familie waren, werden ze wel als zodanig beschouwd en de auteur sluit zich daar gaarne bij aan. De Cramertjes hoorden helemaal bij de familie Drost en we zullen hen dan ook in de volgende hoofdstukken blijven volgen.

Femme

De oudste van de drie dochters Drost was Femme. Zij maakte het overlijden van haar moeder heel bewust mee, want ze was toen zeven. Van haar is bekend dat ze nogal vaak ziek was en zo nu en dan een uitgebreide kuur moest volgen in de bossen. Ze zag er niet altijd goed uit. Foto’s tonen haar meer dan eens met wat donkere oogkassen, hetgeen haar soms een melancholiek, bijna lijdend gezicht gaf. Ze was de langste van de drie zussen en toonde als jonge vrouw dezelfde bekoorlijkheid als Fie en Mies, wanneer een fotograaf haar vereeuwigde.

Femme Drost in 1907, rond de tijd van haar verloving met Henk Alberts. Drost-archief DB 1831.

Femme verliet betrekkelijk laat haar ouderlijk huis. Ze verhuisde in 1912 naar Utrecht en was verloofd met Hendrik Alberts. Die verloving heeft tamelijk lang geduurd. Reeds in 1907 waren Femme en Henk verloofd. In de huwelijksakte van Femme’s broer Johan staan Henk als getuige vermeld als de verloofde van zijn zuster.

Femme in 1908. Drost-archief DB 0137.

In 1915 trouwden ze. Femme was toen 30 jaar. Hendrik was lid van de firma Alberts & Morel, een rottinghandel in Amsterdam. Het was een importbedrijf dat gericht was op het toenmalige Nederlands Indië.

Henk Alberts met Femme kort na hun huwelijk in 1915 in hun eerste huis aan de Bredeweg in de toenmalige Watergraafsmeer. Drost-archief DB 0318.


Rotting

Cornelis Alberts was aannemer en bepaald geen kleintje. Hij was oprichter van de bekende firma C. Alberts en Zoon en bouwde onder meer de Rijkspostspaarbank aan de Amsterdamse van Baerlestraat en het Stedelijk Museum. Toen de Over-Amstelse Polder en de gemeente Watergraafsmeer bij de uitbreiding van Amsterdam werd betrokken, bouwde hij voor hemzelf en zijn kinderen een tiental herenhuizen aan de Transvaalkade. Hij dreef het bedrijf met twee van zijn zoons.

Barend Cornelis Alberts, aannemer, de oudere broer van Henk.

Het gezin Alberts was groot. Er waren negen kinderen en die alle een buitensporige eetlust blijken te hebben gehad. Boter zou zijn ingekocht per vat... De jongens kregen de man elk een eigen dekschaal zuurkool met worst.

De jonge Henk Alberts omstreeks 1890 in de (zo herkenbare) studio van Albert Greiner, een der beroemdste fotografen van de hoofdstad. De auteur wijdde er een speciaal hoofdstuk aan.

Zoon Hendriks jeugd speelde zich in en om Amsterdam af en vaders activiteiten zorgden voor interessante praktijkervaring. Zo mochten zijn jongens zo nu en dan helpen bij het rangeren van de goederenlocomotieven. Hendrik en zijn broers werden soms zelfs tot machinist gebombardeerd. Dat kon toen nog in de najaren van de 19de eeuw waar de almacht van vader belangrijker was dan de veiligheidsregels...

Henk Alberts ging in zaken en associeerde zich al spoedig met de firmanten van een Amsterdams bedrijf dat zich bezighield met de handel in en het verwerken van van ‘rotting, bamboes, vezelstoffen en andere producten, zowel in oorspronkelijke als in geheel of gedeeltelijk bewerkte staat, die daarmede in de ruimste zin in verband staat’.

Dat bedrijf was ooit opgericht in 1740, zij het dat de bedrijfsvorm en de naam van het bedrijf nogal eens wisselden. In 1895 werd er gekozen voor een vennootschap onder firma, genaamd Fa. Willemz en Morel. Niet lang daarna werd de naam uitgebreid met van Dorsten en in 1910 werd de zaak een N.V. onder de naam Hollandsche Rottingwerken voorheen Willemz, Morel en van Dorsten. In 1913 werd weer naar de vennootschap onder firma teruggekeerd. Inmiddels had Henk Alberts in het bedrijf een stevige positie veroverd. Na nog wat wijzigingen kwam in 1942 de firma Alberts en Morel officieel tot stand, al was die naam al tientallen jaren in zwang. In 1953 waren Henk en zijn gelijknamige zoon de firmanten, waarna Henk jr de enige eigenaar werd. De auteur meent echter dat teveel nadere uitleg over de bedrijfsstructuur buiten het doelgebied komt van zijn werk.

Terug naar Henk die in het begin van de twintigste eeuw in zaken ging en Femme Drost leerde kennen. Hun verloving zal in of misschien zelfs nog vóór 1907 hebben plaatsgevonden. Ze huwden in 1915. De Morellen waren familie. Hendrik Morel was getrouwd met Mies, de zuster van Henk Alberts. Het rottingbedrijf was dus een familiezaak, in casu een bedrijf van twee zwagers die beiden Henk heetten. Van rotting werd pitriet en vlechtband gemaakt door fabrieken die Alberts & Morel als toeleveranciers hadden. Grote afnemers waren de fabrikanten van meubels, vooral van stoelen.

In de jaren rond de Eerste Wereldoorlog kende de rottingfirma tijden van voorspoed. De strijdende partijen in Europa vervaardigden of kochten wapentuig in en alles wat daarbij kwam kijken. Zo werden er in de loopgravenoorlog granaten gebruikt en die moesten in schokvrije mandjes worden vervoerd. In die tijd was rotting daar hét aangewezen middel voor en zo kende de Hollandsche Rottingwerken jaren van bloei door de sterk gestegen vraag naar natuurlijke vezels. Daar was niets mis mee. In die dagen lag de internationale handel vrijwel stil. De beurzen waren gesloten en wie wat verdienen kon, deed dat. Natuurlijk leverde dat kritiek op, maar die kwam steevast van diegenen die doorgaans géén graantje konden meepikken van het wereldgebeuren dat zich rond het neutrale Nederland afspeelde of die daar het lef niet voor hadden. Het was voor velen een kwestie van overleven en de firma van Henk Alberts deed dat uitstekend. Zo waren er in Nederland tal van bedrijven die in een gat in de markt doken. En als ze dat niet deden, deed een ander het wel.

De zaken floreerden en omstreeks 1917 werd in Hilversum Villa Jetty aan de Koninginneweg betrokken. Daar kwamen de eerste twee kinderen van Henk en Femme ter wereld: Miep en Henk.

Han, de halfbroer van Femme, schoot deze foto van Villa Jetty in 1919. Drost-archief DB 1837.

En zo reed Henk Alberts met zijn eega door het lommerrijke Gooi in een prachtige Spijker met chauffeur. Dat zoiets allure had, laten de foto’s zien. Als ze door plattelandsdorpen kwamen, dachten de mensen soms serieus dat de Koningin en de Prins werden rondgereden. En verder sprak Femme tot haar kinderen jarenlang de gevleugelde woorden dat ze heel wat keren ‘met haar gat in een spijker had gezeten’.

 

 

Een ritje op 7 augustus 1916 in de Spijker van de familie Alberts. Links chauffeur Vaas.
Deze interactieve foto kan namen van personen tonen en hun plaats in de genealogie. Drost-archief DB 0306.

Henk Alberts zelf aan het stuur van zijn Spijker. Drost-archief DB 0310.

Femme met dochtertje Miep in 1919. Drost-archief DB 0142.

Top

Hoofdstuk 8     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 10

Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.