Hoofdstuk 11     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 13

Bert Bolle

 

Hoofdstuk 12

De Drosten waren erbij - De Wereldtentoonstelling van 1883

Waar iedereen in Amsterdam over sprak

 

H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________

 


De hoofdingang van de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling van 1883 in Amsterdam.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002173.

 

Een Drost moést daar bij geweest zijn!

Wim Drost was de kleinzoon van Johannes Drost, de mede-oprichter van de firma Ronge en Drost. Tijdens een van de gesprekken had Wim het over enkele specifieke eigenschappen van de Drosten. Een ervan was, dat een Drost de gewoonte had acte de présence te geven als er iets bijzonders gaande was. Zo wist Wim zich nog te herinneren dat zijn grootvader hem vertelde dat hij in 1883 met zijn familie een dag lang had rondgelopen op dé Wereldtentoonstelling in Amsterdam, vooral ook om daar het gloednieuwe fenomeen elektrisch licht te aanschouwen. Zo ongeveer de halve stad was op dat grote evenement afgekomen en natuurlijk waren ook de Drosten verschenen. ‘Een Drost moést daar bij geweest zijn’, zo verwoordde Wim op plechtstatige toon het credo van zijn familie om over belangrijke dingen te moeten kunnen meepraten. Zo ontstond het idee om een hoofdstuk te wijden aan een rondwandeling van de Drosten over het immense terrein van de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling van 1883 in Amsterdam. Hier het verhaal over dit evenement in onze prachtige hoofdstad. Amsterdam in de vaart der volkeren...

Weg met de Jan Saliegeest

Na de Gouden Eeuw waarin Amsterdam zich had geopenbaard als een handelsstad van wereldformaat, had zich in economische zin een neergaande lijn ingezet, en was de stad in de negentiende eeuw een fors deel van die kosmopolitische glans kwijtgeraakt. De Franse overheersing had Amsterdam verder achterop gebracht, en nog lange tijd nadat Willem I in 1813 Koning der Nederlanden was geworden, was de hoofdstad ondergedompeld in een Jan Saliegeest, lusteloos en wars van veranderingen en moderniteiten. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw veerde de oude koopmansstad langzaam weer op.

De negentiende eeuw was een eeuw waarin veel uitvindingen en nieuwigheden het licht zagen. De stoommachine maakte alom furore en er kwamen fabrieken. Afstanden werden kleiner en kleiner; zo verdrong de stoomboot het zeilschip en moest de diligence wijken voor de trein en later de auto. De huizen kregen gasverlichting en toen de onbegrensde mogelijkheden van de elektriciteit werden ontdekt, deden communicatiemiddelen als de telegraaf en de telefoon hun intrede en kwam er elektrisch licht.

Kaart van het Noord-Hollands Kanaal. De kaart is naar onze huidige inzichten een kwart slag gedraaid, zodat het noorden rechts ligt.

Bron: Stadsarchief.

Amsterdam wilde in die ontwikkelingsroes bepaald niet achterblijven, maar had impulsen nodig. Het in 1824 gereedgekomen Noord-Hollands Kanaal was een goede aanzet geweest tot herstel van het havenleven dat letterlijk verzand was geraakt door het dichtslibben van het IJ, maar het smalle kanaal was bij lange na niet toereikend gebleken om de steeds grotere schepen aan te kunnen. Bovendien was de lange weg naar open zee bij Den Helder rijk gezegend met bochten en sluizen. ‘Holland op zijn smalst’ zou je deze kneuterige oplossing kunnen noemen. Toen echter het Noordzeekanaal in 1876 in gebruik was genomen als superkorte verbinding naar de kust - hier kwam ‘Holland op z’n smalst’ heel wat beter uit de bus - ging Amsterdam er als havenstad weer helemaal bij horen. Grote stoomschepen konden eindelijk zonder problemen Amsterdam bereiken. Er kwam een opleving in de hoofdstad die zich van lieverlee in rap tempo ging moderniseren. Overal in Amsterdam werd stilstand tot vooruitgang aangezet. Spoorlijnen verbonden de hoofdstad met de rest van Europa. Amsterdam was in beweging, helaas soms wel wat erg rigoureus. In de laatste dertig jaar van de 19de eeuw werd meer dan een kwart van de huizen in de oude binnenstad en langs de grachten gesloopt om plaats te maken voor het bedrijfsleven. Grachten werden gedempt en heel wat mooie plekjes verdwenen. De prijs van de vooruitgang, al bleef er gelukkig nog heel wat moois over van de oude Amsterdams glorie-eeuwen.

De Rhijnspoorweg is de eerste spoorlijn die is aangelegd door de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij. De spoorlijn liep van het Amsterdamse Weesperpoortstation via Utrecht naar Arnhem. Het gedeelte tussen Amsterdam en Utrecht is geopend in 1843. In 1845 werd de verlenging naar Arnhem in gebruik genomen. Deze prent was onderdeel van een pamflet om investeerders te interesseren in de nieuwe spoorlijn.

Prent, circa 1840. Bron: Stadsarchief, inv. 010097012684.

De handel met de koloniën was nog steeds van vitaal belang. De producten die Nederland bijvoorbeeld uit Indië, het latere Indonesië weghaalde, droegen in een niet te onderschatten mate bij aan het drijfvermogen van de kurk waarop de economie in het moederland dreef. Het netwerk van pakketdiensten werd gaandeweg uitgebreid met stoomschepen, de capaciteit groeide, de snelheid van vervoer nam toe en daarmee tevens de export naar landen die de producten uit ‘de Oost’ wilden afnemen. Spil bij dit alles was Amsterdam dat zijn oude rol als koopmansstad met voortvarendheid opnieuw oppakte.

Het pas voltooide Rijksmuseum in 1885 gezien vanaf de Weteringschans. Achter het museumgebouw was het terrein van de Wereldtentoonstelling

Bron: Stadsarchief.

De Amsterdamse koopman had echter van huis uit een calvinistische inslag, een instelling die soberheid en zuinigheid inhield. Alles met mate. Het zeventiende-eeuwse stadhuis van bouwmeester Jacob van Campen, later het Paleis op de Dam, was hun enige tour de force van wereldformaat geweest en dat vond menige nuchtere Amsterdammer al mooi genoeg. In tegenstelling tot andere wereldsteden als Londen en Parijs, was een stad als Amsterdam er dan ook minder toe geneigd om zijn grandeur op overdreven wijze naar buiten uit te dragen door het oprichten van monumenten, het aanleggen van brede luxueuze boulevards of het neerzetten van imposante gebouwen. Zeker, het Paleis voor Volksvlijt was in het midden van de jaren zestig neergezet als antwoord op het imposante Crystal Palace in Londen dat in 1851 huisvesting bood aan de beroemde Wereldtentoonstelling aldaar, maar daar bleef het voorlopig bij. Pas in de jaren 1880-1890 kwamen het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal Station erbij, alsmede enkele imposante hotels en af en toe een spraakmakende creatie als de Wintertuin van Krasnapolsky, maar dat was het zo ongeveer. Geen boulevards, geen overdaad aan monumenten. De Amsterdammers moesten het jarenlang doen met weinig wereldschokkende zaken het Naadje op de Dam, en zelf dat was beschadigd...

Maar laten we eerlijk zijn, was heel de oude Amsterdamse binnenstad met al die schitterende grachtenpanden uit de Gouden Eeuw, de ontelbare steegjes, de pittoreske doorkijkjes onder de bruggen en de veelheid aan fraaie gevels, reeds op zich niet één groot monument? Daar kon je als stad toch prima mee voor de dag komen? De rijke schat aan 17de-eeuws moois die in de hoofdstad overal zomaar voor het grijpen lag, was op zich heel bijzonder en had de bezoeker veel te bieden. Wie in die jaren Amsterdam bezocht, moest open staan voor andere dingen dan boulevards en monumenten. Behalve het gebruikelijke aanbod aan cultuur, zoals muziek, toneel en variété, onder meer in de Stadsschouwburg, de Parkschouwburg en in het nieuwe Paleis voor Volksvlijt waar maar liefst twaalfduizend mensen in konden en waar gasverlichting brandde, waren er bezienswaardigheden die je alleen in Amsterdam kon bewonderen. Zo bood het Vondelpark het Panorama van Constantinopel, een stadsgezicht in cirkelvorm van indrukwekkende afmetingen. Panorama’s waren in. Het Beleg van Haarlem was ook zo’n bekend panorama destijds. Een bezoek werd graag gecombineerd met een rondgang door Artis dat daar niet ver vandaan lag. Op museaal gebied was er het beroemde Rijksmuseum het Trippenhuis waarin men zich kon wanen in de zeventiende eeuw, en niet te vergeten de collectie Van der Hoop en Museum Fodor.

Koning Willem III met Koningin Emma en prinses Wilhelmina.

Bron: Stadsarchief.

Ronduit spectaculair werd een bezoek ervaren aan het in 1882 geopende Panopticum aan de Amstelstraat, een soort evenknie van Madame Tussaud in Londen. Kunstig in was uitgevoerde beelden stonden daar in de meest uiteenlopende taferelen opgesteld. Zo kon het Koninklijk gezin worden bewonderd: Koning Willem III met zijn gade Koningin Emma en later hun dochtertje Prinses Wilhelmina, waarheidsgetrouw in huiselijke sfeer in hun zitkamer.

Met name buitenlandse gasten konden genieten van wat Amsterdam te bieden had, en wie er oog voor had genoot evenzeer van de dingen van alledag die voor de Amsterdammers zelf doodgewoon waren, maar voor de bezoeker uit den vreemde niet. Die keken hun ogen uit naar al die verse waren die per handkar werden aangevoerd en over de stad werden verspreid, zoals pekelharing in houten kuipen, garnalen in manden en brood in gelakte trommels. Die zagen de melkmeisjes lopen met hun fraai gelakte jukjes waaraan de potten met melk hingen te bengelen, of een man met zijn ezelinnetjes die voor de huizen werden gemolken. Die zagen opgeschoten jongens rondlopen met volwassen jasjes aan maar in korte broek terwijl ze grote sigaren rookten alsof het niets was. Die zagen de stadswezen lopen, de jongens met glimmende knopen op hun jasjes in wonderlijk rood-zwart, en de meisjes in dezelfde kleuren, getooid met die zo aparte mutsjes en met gemsleren handschoenen tot de elleboog en een fichu van witte mousseline gekruist over de borst. Die zagen de brandweerlieden voorbijkomen met hun helmen, kaplaarzen en wijde broeken. Die hoorden carillons hun liedjes kabbelend rondbeieren over de stad en snoven de onmiskenbare geuren op van de haven. Het Amsterdam in de jaren tachtig van de 19de eeuw, ontwakend uit de wat donkere en verstilde saaiheid van de vorige decennia, maar nog steeds trots-ouderwets-deftig, deftiger dan Rotterdam of ’s-Gravenhage. O ja...!

De Amsterdammers waren met recht trots op hun stad en in de euforie van de alom in Europa hooggeprezen vooruitgang waren er inmiddels stemmen opgegaan om in navolging van andere toonaangevende landen een Wereldtentoonstelling te organiseren in Amsterdam dat toch vooral niet achter behoorde te blijven bij de andere grote hoofdsteden. Het zou goed zijn voor de naam en het imago van zowel de stad als het land, goed voor de handel en goed voor het welzijn van de Amsterdammers in algemene zin. Na de Wereldtentoonstelling in Londen van 1851 was er een soort competitie ontstaan tussen met name Londen en Parijs, maar ook andere grote wereldsteden bliezen hun partij mee, zoals het Amerikaanse Philadelphia. De ene stad wilde niet onderdoen voor de ander en elke keer werd zo’n tentoonstelling groter en imposanter, waarbij bezoekersaantallen van ver over de tien miljoen werden gehaald.

Veel bezoekers kwamen natuurlijk uit de directe omgeving van waar zo’n evenement plaatsvond, maar talloze anderen maakten er verre reizen voor. Naar iets spectaculairs als een wereldtentoonstelling leefden de mensen toe, daar werd geld voor opzij gelegd, want zoiets waar iedereen over praatte, dat moést je toch zien? Wie er eenmaal geweest was, kwam boordevol verhalen thuis en vertelde aan wie het maar horen wilde over de ongekende weelde en vooral de veelheid van wat er zoal werd tentoongesteld, de vreemde talen die er werden gesproken, de bezoekers en exposanten die uit de verste uithoeken van de wereld waren gekomen, de uitheemse bouwstijlen, de exotische kleding, en natuurlijk de stad zelf die zichzelf eens extra had opgepoetst en enthousiast mee bruiste met de grandeur van zo’n immense publiekstrekker.

De eerste Wereldtentoonstelling in Londen

Opening in 1855 door Koningin Victoria van de Wereldtentoonstelling in het Crystal Palace in Londen.

Bron: Wikimedia Commons.

Hoewel de Fransen zich al omstreeks 1800 met tentoonstellingen bezighielden en in 1849 serieus aanstalten maakten voor een eerste echte ‘wedstrijd der volkeren’, was het Engeland die het spits afbeet. Prins Albert was de grote promotor achter het evenement dat als boodschap had dat de volkeren op Olympische wijze in vrede zouden wedijveren met hun nationale verworvenheden, tot nut van iedereen. Binnen een jaar werd in Hyde Park het beroemde Crystal Palace opgetrokken uit glas en staal, met zijn ruim 600 meter lengte en 130 meter diepte en 30 meter hoogte een gigant van wereldformaat. Er deden 17.000 exposanten mee uit 28 landen en er waren over de 100.000 objecten te bewonderen. Indrukwekkende apparaten werden er gedemonstreerd, maar ook spectaculaire kleine uitvindingen trokken de aandacht, zoals de aneroïdebarometer van Vidie en de Bourdonbarometer die beide een gouden medaille in de wacht sleepten. Een Patek Philippe dameshorloge dat een opwindknopje had in plaats van een los sleuteltje imponeerde de Engelse Koningin Victoria dermate dat ze het ter plekke kocht.

Het Crystal Palace tijdens de Wereldtentoonstelling in 1851.

Bron: Wikimedia Commons.

Een bronzen medaille ging naar de gebroeders Thonet met luxueus meubilair van gebogen hout dat een doorslaand succes werd en steeds terugkeerde op volgende tentoonstellingen. De landbouw werd verrijkt met een maaimachine, en de als nouveautés in Crystal palace geïnstalleerde doorspoeltoiletten moesten in geciviliseerde kringen van iedere ouderwetse poepdoos voorgoed een afgang maken. Over afgaan gesproken, de Colt revolver deed in Londen ook zijn intrede... Grote publiekstrekker was de Koh-i-Noor diamant, en op de Egyptische afdeling was de originele Steen van Rosette. Er waren curieuze dingen te zien, zoals een piano waar je met vier mensen tegelijk op kon spelen. Nederland kwam erg magertjes uit de verf en had slechts een paar vitrines met Delfts aardewerk ingeleverd. Zes miljoen bezoekers werden er geteld op dit Londense evenement dat op de openingsdag alleen al 300.000 bezoekers trok. Een enorm aantal, zeker in die tijd.

Opening van de Wereldtentoonstelling in het Palais de l’Industrie in Parijs in 1855.

Bron: Wikimedia Commons.

Frankrijk kon natuurlijk niet achterblijven en reeds in 1855 kon het publiek wederom een wereldtentoonstelling gaan bewonderen, ditmaal in Parijs, waarbij de nadruk sterk op de technische vooruitgang was komen te liggen met een overdaad aan nieuwe vindingen en technische snufjes. Voor het eerst zag de bezoeker een naaimachine, uitgebracht door Singer, en kwamen er duizend kopjes filterkoffie uit een automaat! Die kon gedronken worden uit porseleinen kopjes van de beroemde Hongaarse fabriek Herend die hun bekroonde waren mochten leveren aan Keizer Franz Joseph I en Tsaar Alexander II, in navolging van Koningin Victoria die haar servies al in 1851 besteld had.

Keramische vazen ‘nieuwe stijl’.

Bron: Wikimedia Commons.

Doodgewone dagelijkse dingen werden eveneens belicht. Zo zag de veiligheidslucifer het licht en deden nieuwe industriële producten hun intrede, zoals aluminiumplaat en gevulkaniseerd rubber. Nederland kwam nu beter voor de dag. Er was onder meer een schitterend gebeeldhouwde preekstoel te zien, ontworpen door Pierre Cuypers, de man die later beroemd zou worden als architect van onder meer het Centraal Station en het Rijksmuseum.

Hoewel de artikelen uit de koloniën en de kunstnijverheid ruime aandacht kregen, lag de nadruk op de mechanisatie. “In de nabije toekomst wordt niets meer met de hand gedaan”, werd levensgroot aangekondigd op de borden in de immense hal. Bijna 24.00 deelnemers telde deze tentoonstelling. Er kwamen ruim vijf miljoen bezoekers, al werd er een fors verlies geleden.

Londen organiseerde de volgende wereldtentoonstelling in 1862. Landbouw, industrie en kunst waren de onderwerpen. Ook ditmaal was er een massale deelname: 39 landen en natuurlijk waren er weer volop nieuwigheden. De zes miljoen bezoekers konden zich onder meer de eerste rekenmachine vergapen. Er was een schilderijengalerij van 350 meter lengte en in de industriële vleugel stonden machines van wel 35 ton. De uitvinding van het revolutionaire Bessemerstaal had voor een veelheid aan nieuwe metalen producten gezorgd. Voor het eerst viel er een grote hoeveelheid Japanse kunst en kunstnijverheid te zien. Toch viel de tentoonstelling wat tegen, omdat overdaad en onoverzichtelijkheid de overhand hadden gekregen.

Parijs kaatste de bal terug in 1867. Ditmaal werd er eindelijk wat winst geboekt met een record aantal bezoekers van maar liefst elf miljoen. Er was geleerd van eerder gemaakte fouten, er was veel gedaan aan de overzichtelijkheid en voor het eerst waren er ook buiten het tentoonstellingsgebouw paviljoens te zien van de deelnemende landen. Veel nadruk was komen te liggen op presentatie en architectuur. De bezoeker kreeg een compleet spektakel te zien met prachtige waterpartijen en er waren restaurants gekomen ter aangename onderbreking van de enorme wandelingen en dat was nodig ook, want het tentoonstellingsterrein was inmiddels 68 hectare groot geworden. Wederom was het een opbieden in techniek en vooruitgang, waarbij een hydraulische lift de bezoekers naar een ruim twintig meter hoog platform op en neer vervoerde. Er was een spectaculair kanon van de Duitse fabrikant Krupp dat een publiekstrekker van formaat werd. Korte tijd later zou dat boegbeeld van hoogwaardige militaire perfectie in Frankrijk zijn dodelijke kracht tonen in de Frans-Pruissische oorlog van 1870...

De Wereldtentoonstelling van 1873 in de Weense Rotunda.

Bron: Wikimedia Commons.

Het festival van wereldtentoonstellingen bleef voortduren. Na Parijs kwam Wenen in 1873 met een gebouw dat geheel uit staal was opgetrokken in het Prater Park nabij de Donau. Het had als centrum de ‘Rotunda’, het grootste koepelgebouw ter wereld. Hoewel er zeven miljoen bezoekers waren, miste dit evenement zijn spectaculaire vernieuwingsallure. Het door de oorlog verzwakte Frankrijk kwam als exposerend land slechts dunnetjes uit de verf, Engeland had weinig verrassends en de Verenigde Staten lieten verstek gaan omdat ze te laat het belang van deze zoveelste Europese expositie hadden ingezien om nog deel te nemen.

De Wereldtentoonstelling van 1876 in Philadelphia.

Bron: Wikimedia Commons.

In 1876 volgde de Amerikaanse stad Philadelphia met een tentoonstelling die werd gehouden ter gelegenheid van het eerste eeuwfeest van de Verenigde Staten en waarbij superlatieven wederom de boventoon voerden, al moest er ook ditmaal dik geld bij. Bijna 29 hectare aan prestigieuze gebouwen stond op 115 hectare tentoonstellingsterrein. Acht miljoen bezoekers kwamen vanuit alle wereldstreken op het evenement af. Veel bekijks trok een stuk kabel dat als prototype diende voor de constructie van de stalen Brooklyn Bridge, maar het meest indrukwekkend was de Corliss stoommachine die een vliegwiel had van 15 meter diameter, met zijn 33 meter hoogte groter was dan een huis en die bijna 600 ton woog. Maar liefst 1.500 paardenkrachten dreven via acht kilometer aandrijfstang alles aan wat draaien moest op de tentoonstelling, en al die apparaten bij elkaar besloegen een oppervlakte van meer dan vier hectare in de grote hal van het gebouw. Alles had zijn eigen gebouw en zo was er een paviljoen speciaal voor vrouwen waar onder meer een reukwaterfontein te bewonderen was, ontworpen door architect Cuypers voor Boldoots Eau de Cologne fabriek. Uitvindingen als de typemachine van de Sholes werden er ten doop gehouden, maar er werd door de meeste mensen ongeïnteresseerd aan voorbijgelopen.

Edison demonstreert zijn Phonograaf.

Bron: Wikimedia Commons.

De telefoon van Alexander Graham Bell bracht echter een ware schok teweeg. Tijdens de opening had de keizer van Brazilië de hoorn tegen en zijn oor gehouden en het meteen uit zijn handen laten vallen onder de verschrikte uitroep: ‘Mijn God, het práát!’ Toch kwam de telefoon in die pioniersdagen niet verder dan een spraakmakende curiositeit waar men het nut niet echt van inzag. Dat veranderde overigens razendsnel, want omstreeks 1900 had een op de vijftig Amerikanen al telefoon in huis.

Souvenir.

Frankrijk was intussen weer terug in de race na de oorlog met Pruisen en liet zich niet onbetuigd. In 1878 presenteerde het zijn inmiddels derde wereldtentoonstelling die zestien miljoen bezoekers trok. Bij de hoofdingang stond een kolossale stoomhamer en binnen was er naast al het industriële geweld het gebruikelijke luilekkerland voor de liefhebbers van uitvindingen en snufjes. De bezoeker genoot voor het eerst van gekoelde dranken en fabrikant Schweppes sleepte zijn gouden medaille binnen. Nu was het tentoonstellingspubliek in de Franse hoofdstad aan de beurt om kennis te maken met de telefoon van de Amerikaan Bell die een gouden en een zilveren medaille in de wacht sleepte, maar wederom werd erover gepraat alsof het slechts een stukje speelgoed betrof. Bells landgenoot en rivaal Edison kwam met de allereerste ‘Phonograph’. De Avenue de l’Opéra was elektrisch verlicht met speciale booglampen, de zogeheten Yablochkovkaarsen. Dat alles gebeurde in hetzelfde jaar dat de Amerikaan Swan de eerste gloeilamp presenteerde, maar zover was het in Parijs nog niet, al luidde die feestelijke elektrische straatverlichting wel het prille begin in van de Franse hoofdstad als ‘Ville de Lumière’.

Steeds vaker was er ergens op aarde een wereldtentoonstelling, zelfs in het verre Australië, en wel in Melbourne toen in 1880-1881 de International Exhibition of Arts, Manufactures and Agricultural and Industrial Products of all Nations werd gehouden. In het daarvoor speciaal gebouwde Royal Exhibition Building was het gebruikelijke aanbod uit die tijd. Het intussen geheel gerestaureerde gebouw is een van de parels van Australië en is een van de weinige wereldtentoonstellingsgebouwen in de wereld dat nog is overgebleven. In 1901 vonden er de ceremonies plaats die de staten van Australië zouden doen samensmelten tot één natie. Daarna zakte de animo voor wereldtentoonstellingen iets in, al vonden er her en der kleinere thematische exposities plaats, zoals die in 1881 in Parijs die gewijd was aan de elektriciteit, waarbij de zojuist op de markt gekomen gloeilamp de show stal. De voortvarende en eerzuchtige Edison had de uitvinding van Swan overvleugeld en zijn kooldraadlamp massaal in productie genomen.

Stereofonische muziekoverdracht in Parijs, 1881.

Bron: Part. coll.

Onbetwiste publiekstrekker was de Théatrophone van Clément Ader. Deze installeerde in de Parijse Grand Opéra een tiental microfoons die in de avonduren de ten gehore gebrachte zang via telefoondraden dwars door Parijs naar het Palais d’Industrie overbrachten. Daar waren enkele vertrekken waar het publiek de muziek kon beluisteren door middel van twee losse telefoonhoorns per luisteraar. Ader had zijn microfoons links en rechts van het toneel opgesteld en voor gescheiden verbindingen gezorgd. Daarmee waren de eerste stereofonische kabelradiouitzendingen een feit. De mensen stonden in dikke rijen te wachten op hun beurt.

Inmiddels was het begrip wereldtentoonstelling een naam gaan krijgen die klonk als een klok. Een stad die eenmaal zo’n evenement binnen zijn grenzen had gehad, kon jarenlang teren op de uitstraling. Het was een soort visitekaartje. Als een magneet trok zo’n internationale manifestatie allerlei mensen aan die anders niet zo snel zouden zijn komen opdagen, zoals congresgangers, verslaggevers, ondernemers, hooggeplaatste personen en kunstenaars. Medailles en onderscheidingen die werden uitgereikt aan fabrikanten werden pontificaal afgebeeld op hun producten die wereldwijd werden verspreid. De rest van de wereld wist opeens waar zo’n stad lag, als ze de naam jaar in jaar uit jubelend op een etiket van een fles of een doos zagen staan. Kortom, een wereldtentoonstelling gaf een stad status, en zo’n gebeurtenis echode vele, vele jaren na. Zelfs nog heden ten dage, in de eeuw, worden die onderscheidingen nog overal teruggevonden in hun originele typisch negentiende-eeuwse typografie als herinnering aan die onstuimige periode toen wereldtentoonstellingen in de mode waren. Het lag dan ook voor de hand dat de bruisende groeistad Amsterdam zich moest gaan manifesteren in de vaart der volkeren.

Een Wereldtentoonstelling in Amsterdam

Edouard Agostini.

Bron: Part. coll.

De aanzet tot een wereldtentoonstelling in de hoofdstad kwam niet uit eigen gelederen, maar van een buitenlander. Edouard Agostini riep in 1880 een groep vooraanstaande Amsterdamse zakenlieden bijeen. Hij stelde voor dat Nederland zich met zijn wereldtentoonstelling van zijn sterkste kant moest laten zien door zich te profileren als handelsland met een extra nadruk op koloniale producten, want op industrieel gebied liep Nederland nog erg achter op zijn grotere buurlanden. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs had Nederland met zijn koloniale afdeling veel bekijks getrokken, dus Amsterdam zou hogen ogen kunnen gooien met een dergelijk thema.

Het idee werd eerst met de nodige scepsis bekeken. Parijs 1878 mocht dan zestien miljoen bezoekers hebben getrokken, Nederland was maar klein en zou misschien slechts een fractie van dat aantal op de been brengen. Agostini had echter meer ijzers in het vuur. Hij had zijn zaken slim aangepakt door eerst Koning Willem III van zijn plannen met een chique uitgevoerde brochure op de hoogte te stellen. Verder sleepte hij in fraaie Franse retoriek alles bij wat maar een klank had, zoals het nieuwe Noordzeekanaal, de zojuist gereedgekomen treinverbinding met Duitsland, de expansiedrift van de stad en het prachtige Paleis voor Volksvlijt dat met zijn kristallen allure de bezoekers uit alle windstreken moest lokken.

Het Paleis voor Volksvlijt gezien van over de Amstel in 1865.

Foto van A. Jager, 1865. Bron: Stadsarchief, inv. 010003002490.

Agostini’s plan kreeg al spoedig medestanders en toen eenmaal een zeer vermogend en invloedrijk bankier als Abraham Wertheim zijn bedenkingen had laten varen, kwam er schot in de zaak. De keuze voor de locatie viel op het grote terrein achter het zojuist gereedgekomen Rijksmuseum, tegenwoordig beter bekend als het Museumplein. Wie als klein land op het Europese continent wilde meetellen, kon zich maar beter bedienen van de Franse taal want die werd aan het hof gesproken en in de betere kringen. Bovendien was het de taal van de diplomaten. De tentoonstelling zou de naam Exposition Universelle Coloniale et d’Exportation Générale gaan dragen. Deze wat onhandige naam zou in het Nederlands nog vreemder klinken: Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling. Nederland was zijn benepen en peuterige Hildebrand-karakter nog lang niet kwijt. Die bekrompen mentaliteit kwam helaas regelmatig terug, zelfs nog in het begin van de 21ste eeuw bij de ambitieuze plannen om het Rijksmuseum aan te passen en tot een kunsttempel van internationale allure te maken.

Dat kneuterige karakter zat blijkbaar ook in het kabinet-van Lynden dat uit veilige behoudzucht alle financiële medewerking angstvallig blokkeerde. Dat was een tegenslag. Terwijl in een land als Frankrijk de regering er juist alles aan deed om zo’n wereldtentoonstelling te steunen en zelfs te promoten, zag den Haag blijkbaar geen brood in een goed stuk Holland-promotie. Het kabinet-van Lynden stond bekend als zwak en zou spoedig vallen, maar ondertussen zaten de organisatoren wel met een probleem. Er moest nu naar particuliere investeerders worden gezocht. Agostini slaagde daar weliswaar snel in, al vond zijn geldschieters niet in Nederland maar in België, waardoor enkele belangrijke touwtjes in handen van buitenlanders zouden komen te liggen en een eventueel batig saldo naar het buitenland zou verdwijnen. Door de krenterigheid van den Haag was het enthousiasme rond de Amsterdamse Wereldtentoonstelling wat getemperd geraakt, zeker met al die buitenlandse inbreng van Agostini en zijn Belgen. Nederland had zich dan ook reeds ver voor de tentoonstelling begon in een nog nooit eerder vertoonde positie gemanoeuvreerd.

Toch waren velen hoopvol gestemd. Immers, het koloniale thema had al eerder bewezen veel publiek te trekken en omdat daar de nadruk op werd gelegd, zou het allemaal wel goed komen. De buitenlandse geldschieters wilden echter het onderste uit de kan en hadden hoge vierkante meterprijzen bedongen voor de exposanten die het in het begin dan ook vaak lieten afweten. Vooral de Nederlandse bedrijven keken de kat uit de boom. Gelukkig zag de overheid tenslotte in dat ze te hulp moest schieten en dat deed ze door de officiële uitnodigingen rond te sturen en door alsnog een deel van de kosten voor rekening van de schatkist te laten komen. Er kwamen subsidieregelingen voor de exposanten, waardoor de lang verwachte belangstelling voor deelname eindelijk een feit werd. Toen tenslotte iedereen wel inzag dat deze tentoonstelling een succes moest worden, gaf de koning er zijn zegen aan door het aanvaarden van het beschermheerschap.

De opbouw

De opbouw van de tentoonstellingsgebouwen in 1882-1883.

Bron: Part.coll.

Er volgde een periode van immense bouwdrift in 1882, en toen de dag van de opening naderde, waren er een slordige 3500 werklieden aan de gang. Het enorme terrein van het Museumplein in Amsterdam was aanzienlijk groter dan het nu nog is, maar liefst 22 hectare. De fraaie vergezichten over de weilanden hadden veruit de overhand op de straten en huizen die nog aangelegd en gebouwd moesten worden. Het terrein was groot genoeg om alle paviljoens van de wereldtentoonstelling te kunnen herbergen, al gingen er maanden overheen om het drassige terrein te ontginnen en bouwrijp te maken, maar daarna verrees het ene paviljoen na het andere. Het meest gebruikte materiaal was hout. De daken waren van glas, waaronder doek was gespannen tegen het felle zonlicht en her en der optredende lekkage.

Rondom het gehele terrein werd een speciale spoorlijn aangelegd, want de hoeveelheid aan te voeren materialen en tentoonstellingsobjecten was gigantisch. Ook de stad zelf werd aangepast. Met het oog op de te verwachten drukte werd het tramwegennet uitgebreid, waardoor er stukken gracht spontaan werden opgeofferd. Zo werden gedeelten van de Nieuwezijds Achterburgwal, het Singel, de Vijzelgracht en het Rokin zonder veel omhaal gedempt.

De middenstand zag wel brood in het evenement en speelde daar handig op in. Mensen die huizen of kamers konden verhuren, deden goede zaken, het bekende American Hotel kwam gereed en zelfs opende een Hotel de l’Exposition zijn deuren. Tevens werd er serieus over gediscussieerd het rechts rijden in de stad verplicht te gaan stellen. Totnogtoe deed iedereen maar wat, maar met al die toeloop van bezoekers zou dat wat gevaarlijk kunnen worden. Dat alles en nog veel meer vond plaats in het voorbereidingsjaar 1882.

Het hoofdgebouw in aanbouw.

Foto (1883). Bron: Stadsarchief, inv. 01000500927.

De opening zou worden verricht door koning Willem III op 1 mei 1883. Helaas liep de opbouw van het feestterrein bepaald niet in de pas met de voortvarendheid van de Amsterdammers zelf, want toen het zover was, moest nog menig paviljoen zijn beslag krijgen; zelfs hele gebouwen waren nog niet af en er stonden talloze kisten en kratten te wachten om te worden uitgepakt. Satirische bladen vroegen zich af wat de koning dan wel kwam openen: de Wereldtentoonstelling of al die niet uitgepakte kisten...? Maar zoiets was normaal bij een Wereldtentoonstelling, (hield men elkaar voor...) en och, wat zou het? Er was immers al genoeg te zien? Dus force majeur dan maar: alles wat nog niet klaar was moest gauw-gauw voor één dag uit de steigers, want de Koning kwam, en niet te vergeten de pers! Inderdaad, de publiciteitsmachine ratelde op volle toeren.

Opening door Koning Willem III en Koningin Emma.

Bron: Part.coll.

Op 1 mei stroomden op een koude maar stralende dag massa’s mensen naar het tentoonstellingsterrein. En ze bleven maar komen, het leek wel of de hele stad uitliep. Er waren ingangen aan de van Baerlestraat en de P.C. Hooftstraat en dan was er de hoofdingang pal achter de poort onder het in aanbouw zijnde Rijksmuseum, maar die glorieuze ingang was voorbehouden aan de boven het volk gestelden aan wie het gegund was op de Koninklijke tribune te mogen plaatsnemen. Toen koning Willem III met zijn gevolg arriveerde, stonden er ruim honderdduizend mensen op en rond het terrein te wachten.

De opening verliep ietwat houterig, omdat de koning het niet erg bleek op te hebben met organisator Agostini die teveel intieme details bleek te kennen van een der liefdesaffaires van de monarch. Na de opening begaf het koninklijk gezelschap zich langs de paviljoens, de reeds bejaarde koning voorop, rijzig en waardig, aan zijn zijde de charmante koningin Emma, een tikje boulotte, met de gastheren, hofdignitarissen en genodigden eerbiedig in hun kielzog. Na de koninklijke rondgang hoorden de paviljoens toe aan het publiek. Het leeuwendeel daarvan had de volle entreeprijs betaald: een gulden per persoon. Amsterdam gonsde de hele dag van het feestgedruis. Die avond ging Fédora in première, met de Parijse actrice Sarah Bernhardt in de hoofdrol en er waren speciale treinen ingezet. Voorwaar, de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling Amsterdam 1883 ging voorspoedig van start.

Een dagje uit

Johan Drost woonde met zijn vrouw Sophie in de Korte Leidsedwarsstraat. Na hun huwelijk in 1880 waren ze eerst aan de Bloemgracht gaan wonen en had Sophie haar echtgenoot in 1881 een zoon geschonken die naar de grootvader van vaders kant werd genoemd. Eind 1882 had zich een tweede zoon bij het gezinnetje gevoegd, Nicolas Charles, de vader van de eerder genoemde Wim. Toen de Wereldtentoonstelling zijn openingsdag naderde, de kranten vol enthousiasme schreven over al die wonderbaarlijkheden die van over de hele wereld naar onze hoofdstad waren gehaald en de mensen elkaar begonnen op te jutten om maar vooral niets van dat unieke wereldgebeuren te missen, overlegde Johan met zijn broer Henk om met vrouwen en kroost naar de opening te gaan. Immers, een Drost hoorde over zoiets bijzonders te kunnen meepraten, dus een Drost moest daar bij zijn! Maar er was teveel te doen in hun suikerbedrijf, dus de gang naar het feestterrein werd uitgesteld.

Vogelvluchtgezicht van het tentoonstellingsterrein, gezien vanaf het Rijksmuseum.

Prent, getekend door J. Greive, gegraveerd door W. Tilly (1883). Bron: Stadsarchief, inv. 010097012692.

De maand mei ging voorbij, maar de ware bezoekerstoeloop liet op zich wachten, mede omdat er overal nog getimmerd en ingericht werd, totdat op 7 juni de lang verbeide elektrische verlichting in gebruik werd gesteld. Daar kwam een stoommachine van niet minder dan 150 paardenkrachten aan te pas. Elektriciteit was iets nieuws voor Amsterdam en iedereen praatte erover. Inmiddels had de organisatie heel wijselijk de entreeprijzen verlaagd, en toen een dag later met veel vertoon eindelijk het Franse paviljoen feestelijk werd geopend en de kranten daar uitvoerig over berichtten, bracht Johan Drost het onderwerp van een bezoek weer ter sprake. Ze moesten toch eindelijk eens gaan kijken daar, zeker nu de elektrische verlichting overal brandde en er ook ’s avonds kon worden rondgewandeld.

Hoofdingang met een inspecteur en agent van politie.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194001927.

Souvenirkaartenmapje.

Bron: Stadsarchief, inv. 010194002172.

Vanaf juni betaalde je op de meeste dagen twee kwartjes en soms kon je er ’s avonds al voor een kwartje in. Dat maakte de Amsterdamse tentoonstelling tot een waar zomerfestijn waar mensen massaal op af kwamen. Niet alleen de welgestelde grachtengordelbewoner die een doorlopend abonnement had gekocht voor dertig gulden en zich door eigen equipage liet voorrijden, maar net zo goed de werkman met wollen kiel en pet die te voet kwam. Dan was er de dienstbode met boezel en cornet en met laag uitgesneden schoenen die haar korte, gladde werkjapon met pouf had ingeruild voor een roze of lichtblauw gestreepte japon en haar glanzend gepommadeerde haren netjes boven haar nek had opgerold in een mutsje van gesteven kamerdoek, zodat ze er pico bello uitzag om een paar uurtjes uit te gaan. Of je had er de oude corpulente schommelmoeke die haar kleinkinderen wilde vermaken. Kinderjuffen liepen er rond met hun wiebelende kapothoeden, boorden, manchetten en geruite plaids en je zag zeelui in hun manchester jekkers en grijze flanellen truien, compleet bet baardje en gouden oorringen. En dan waren er de mensen van het platteland, boeren en knechten in hun zwartlakense pakken, hoge hoed of pet en een doek om de hals. Iedereen moest erbij zijn.

De tentoonstelling was zeer zeker een plaats van zien en gezien worden, en het leek er wel één grote modeparade. De gegoede burgerij had zo zijn kledingcode. De statige bankier kleedde zich in het zwart, liet bakkebaardjes staan en droeg steevast een ‘hoge zije’, gekocht bij de gerenommeerde Froger met zijn zaak De Albehoeder aan de Vijgendam bij het Poortje, maar andere welgestelde burgers liepen weer in veel modieuzere kledij. Die kochten eigentijdse kostuums in een Schotse ruit of een lichte kleur, lieten hun snor staan en droegen een rode shawl en een bolhoed. Veel dames schreden rond als volbezeilde fregatten, het ranke lijf samengesnoerd in een korset en behangen met een rokkenvracht die tot over de schoenen reikte, op de schouders ballonmouwen en losse opzetstukken. Ze droegen hoeden als uitbundige tafelstukken, bijna topzwaar opgetuigd met veren, bloemen en fruit, ja een complete groentewinkel. De heren droegen rottingen, witte foulards en blauwe jassen over hun pakken. De meisjes liepen in lange jurken en droegen vlechten of laag afhangend haar en hoeden met grote randen, de jongens waren gekleed in smalle broeken tot ver over de knieën, tuttige jasjes en kleine petjes.

Op een warme junidag gingen Johan en Sophie Drost op weg. De kinderen werden eerst bij een der oma’s uitbesteed, want die waren nog veel te klein voor zo’n enerverende dag vol drukte en heen en weer gerij. De tram, getrokken door stevige Ardenner paarden was als iedere dag overvol, zodat menige dameshoed duchtig te lijden had en een coupétje nemen was duur. Maar eenmaal door de poort van het half voltooide Rijksmuseum was het ongemak van de tram snel vergeten. Johans broer Henk en zijn vrouw Lien waren ook van de partij. Die hadden de hele tentoonstelling opgebouwd zien worden, want ze woonden aan de Weteringschans op loopafstand en er was afgesproken dat men bij de hoofdingang op elkaar zou wachten. Gevieren zouden ze er een dagje van maken en het beloofde mooi weer te worden.

Het tentoonstellingsterrein

Het interieur van de hoofdgalerij.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002162.

De façade van het hoofdgebouw.

Litho, 1883. Stadsarchief, inv. 010018000230.

Daar troonde als voorportaal van het kolossale hoofdgebouw de hoofdingang, opgetrokken uit hout, beschilderd zeildoek en gips. Deze hoofdingang was even indrukwekkende als bizar en had een waanzinnige mengelmoes van oosterse stijlen. Hij hield het midden tussen een paleis uit Mesopotamië en een bedoeïenentent, waarbij enorme olifanten, slangen, Medusakoppen, sculpturen, draperieën, vlaggen en wimpels broederlijk naast elkaar waren toegepast, dat alles in bonte kleuren, supergroot, mierzoet en overdadig. Kortom: sprookjesarchitectuur in optima forma, maar voor de bezoeker die ondergedompeld wilde worden in exotische sferen, die de geuren van vreemde landen wilde opsnuiven en een dag helemaal feestelijk uit wilde zijn, bood zo’n kolossaal entree een onvergetelijk en jubelend welkom.

De gebroeders Drost kochten hun entreebewijzen en togen met hun dames vol verwachting naar binnen. Er waren veel bezoekers op de been, maar die verdwenen als het ware in het immense hoofdgebouw van 120 bij 340 meter, en dan was er nog het terrein buiten met paviljoens en restaurants. Eigenlijk veel teveel om in één dag allemaal te belopen. Het hoofdgebouw alleen al zou dagen vergen om daar alles tot in detail te bekijken, en dat waren de Drosten geenszins van plan. Het moest een educatieve, doch vooral ook plezierige dag worden.

Rustig kuierden de vier over het middenpad. Dat pad alleen al was twintig meter breed en van daaruit konden de paviljoens van de deelnemende landen worden bereikt. Overal stonden luxueuze fauteuils, bekleed met fluweel en beschut door palmen. Veel landen hadden hun paviljoen over de volle breedte van het gebouw, zodat je op de middengalerij dwars door de meeste belangrijke landen heen liep. Kleinere deelnemers hadden slechts een paviljoen aan één kant van het middenpad. Er was aan alles gedacht, zelfs aan mensen die minder goed ter been waren. Die konden een fauteuil roulant huren, een chique driewieler, en werden als in een soort kleine riksja door geüniformeerde bedienden keurig aan een stang voortgetrokken langs al het imposante fraais.

Nederlands paviljoen op het Tentoonstellingsspel.

Bordspel, litho,1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010094008600.

Bij binnenkomst was daar eerst de Nederlandse afdeling. Helaas kwam Nederland niet bepaald als parel van de tentoonstelling uit de verf. Er was klungelig omgegaan met het vloeroppervlak, het budget was te knijperig geweest en er was slecht gepland. Telkens werden er nieuwe dingen ingebracht, en dat duurde maanden en maanden achtereen, zodat het hoofdgebouw enkele malen moest worden uitgebroken en verbreed. Nederland was duidelijk nog niet aan dit soort megatentoonstellingen gewend. Overigens was er genoeg te zien. Er was een rijke mengeling aan vaderlandse producten, zoals papier, klokken, kaarsen en sieraden, afgewisseld door grote voorwerpen als rijtuigen, teveel om te noemen. Nederland had zich op vorige tentoonstellingen in het buitenland als gewoonlijk sterk geprononceerd met zijn jeneverstokerijen en levensmiddelen. Ook nu was dat het geval, zij het niet tot ieders genoegen, want er klonk kritiek dat je als buitenlandse bezoeker haast zou gaan denken dat de Nederlanders de hele dag niets anders deden dan jenever drinken, kaas eten en sigaren roken... Indrukwekkend waren de enorme flessenbouwsels wel.

Sophie Drost werd aangetrokken door de afdeling van Boldoot, waar hun inmiddels door velen geroemde eau-de-cologne-fonteintje in volle luister te zien was. Het was een ontwerp van de architect Pierre Cuypers die de fontein voor Boldoot had ontworpen om te schitteren op de wereldtentoonstelling in Philadelphia. Voor een jonge vrouw die nog maar pas tevoren in hartje Jordaan had gewoond was een flesje Boldoot al een luxe, en dan zag je zomaar een echte fontein van dat dure goedje! Maar daar waren ze dan ook voor gekomen, om zich te baden in de weelde van de superlatieven, om zich te vergapen aan een onbekende wereld, een wereld die ze van nabij, ja van zeer nabij mochten aanschouwen en soms zelfs mochten aanraken, aangemoedigd door de vriendelijke glimlach van de trotse paviljoengids die geen moeite teveel vond om de bezoeker te behagen. Boldoot sprak ook Johan aan omdat dat Amsterdamse bedrijf vooraan stond in de zegeningen van de nieuwe tijd. Zo was Boldoot een van de eerste bedrijven in Amsterdam dat - in 1881 - telefoon kreeg.

Belgisch paviljoen op het Tentoonstellingsspel.

Bordspel, litho, door G. Armand (lithograaf), 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010094008600.

Na de Nederlandse afdeling kwam België, een kleiner land dan Nederland, maar met een groter paviljoen én een betere presentatie. Evenals bij het Franse paviljoen was er veel handiger met de ruimte omgesprongen en er heerste harmonie. De afdeling was één uitnodigende waaier aan mooie dingen, zoals oogstrelende tapijten, imposante bronzen beelden en meubelen. Het kristal schitterde in overvloed en uiteraard werd er gepronkt met een echte kantklosserij, de trots van het land. Soldaten in kleurige uniformen liepen rond en dat alles gaf het Belgische paviljoen allure. België had als relatief jonge natie zeer royaal uitgepakt. Alleen het gewicht van hun goederen zou tegen de 3.000 ton hebben gelopen, maar voor die getallen waren de Drosten niet gekomen. Zij genoten van de gulheid van het Bourgondische leven die het paviljoen van de zuiderburen van Nederland uitstraalde.

Na België kwamen Johan en Henk met hun eega’s in een kleine afdeling van Zwitserland waar als vanzelfsprekend de uurwerken de boventoon voerden. Daarna belandden ze al kuierend in een afdeling van een geheel nieuw land: Transvaal, een kleine republiek in Zuid-Afrika van boeren die een taal spraken die zoveel verwantschap had met het Nederlands. Mede daardoor kon Transvaal met zijn bekende en geliefde voorvechter ‘oom Paul’ Kruger zich in een warme belangstelling verheugen. De kersverse republiek presenteerde zich met boerenproducten als graan, leer en wol, maar uiteraard ook ivoor. Sophie moest wel wat wegslikken en was duidelijk opgewonden toen ze de naam Transvaal in het vizier had gekregen. Haar jongere broer Johan Krone was er in 1881 heen geëmigreerd. Begin oktober was hij afscheid komen nemen bij zijn zuster Sophie die pas een maand tevoren bevallen was van haar eerste zoon Johan. De landverhuizing van Johan Krone had blijkbaar aanstekelijk gewerkt, want niet lang daarna hield Nicolas Charles, de oudste telg van het gezin Krone zijn vaderland ook voor gezien. Hij vertrok in maart 1883, kort voor de opening van de wereldtentoonstelling, naar Worcester in de Kaapkolonie. Maar intussen was Sophie wel haar beide broers kwijtgeraakt en zusters had ze ook al niet. Een onderwerp als Zuid-Afrika bracht dan ook bij haar een mengeling van gevoelens teweeg, enerzijds het gevoel van trots over zo’n gewaagde onderneming in een ver land, anderzijds het verdriet om het moeten loslaten van twee jongens die haar jarenlang zo dierbaar waren geweest.

Ze waren midden in het hoofdgebouw aangeland waar de kleinere paviljoens bij elkaar waren gebracht die grotendeels werden ingenomen door landen van buiten Europa, zoals Perzië en Brazilië. Zelfs het verre Australië was vertegenwoordigd, en wel door de staten New South Wales en Victoria. Zo was daar het paviljoen van China met zijn wonderlijk geklede deelnemers waarover de mensen overal in de stad al maandenlang praatten. Behalve de typisch Chinese producten zoals porselein en zijde, was er een compleet woonhuis nagebouwd in luxueuze stijl en geheel authentiek ingericht. Een van de kamers was speciaal gereed gemaakt ten behoeve van de Chinese ambassadeur in Berlijn die gedurende de tentoonstelling eveneens de honneurs voor China waarnam in gastland Nederland. De kleurrijke en opvallende Chinese delegatie trok overal in de stad de volle aandacht.

Paviljoens van Italië, Australië, China, Perzië, Duitsland, Verenigde Staten en Japan op het Tentoonstellingsspel.

Bordspel, litho, door G. Armand (lithograaf), 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010094008600.

Er waren landen die minder goed uit de verf kwamen, zoals Italië en Engeland, maar daarentegen zette tentoonstellingstijger Frankrijk op nadrukkelijke wijze de toon op het tentoonstellingsterrein in Amsterdam. De Fransen konden na bijna dertig jaar internationale tentoonstellingen bogen op een schat aan ervaring, en dat was goed te zien. Raffinement in opzet en presentatie, gepaard aan een uitstekend gevoel voor schoonheid en smaak maakten het paviljoen van Frankrijk tot een hoogtepunt voor vrijwel iedere bezoeker. Naast de geijkte producten die Frankrijk als iedere rechtgeaarde trotse natie uitgebreid liet zien, waren er de mode en de kunst, welke laatste was ondergebracht in het gebouw voor Schoone Kunsten op het tentoonstellingsterrein. Met name la Douce France liep voorop in het etaleren van de nieuwste snufjes op kledinggebied voor schone dames, en liet bovendien met frivole allure het vrouwelijk schoon zien dat zich juist liever zònder mode liet vereeuwigen, ofwel op een manier die niet besteed was aan de gemiddelde calvinistische Nederlander die al een rolberoerte kreeg bij iets scabreus als een blote dij. Het besmuikte praatje deed al snel de ronde dat je in het hoofdgebouw voor japonnen zonder dames moest zijn, en in het gebouw voor Schoone Kunsten voor dames zonder japonnen. Maar er waren ook serieuzere zaken, zoals echte luchtfoto’s, gemaakt door de bekende fotograaf Nadar vanuit zijn ballon waarmee hij her en der in Europa opstijgingen had gemaakt, en verder allerlei vormen van kunstnijverheid, lampen, porselein, tapijten, vazen, beelden, meubelen en snufjes, heel veel nieuwe snufjes. Evenals in de meeste andere paviljoens stonden overal fraaie houten platenvitrines die foto’s, afbeeldingen en landkaarten lieten zien van het exposerende land.

Toen Frankrijk bekeken was, begonnen de Drostjes toch wel lichtelijk beursmoe te worden. Duitsland was de hekkensluiter van de 26 deelnemende exposanten in het hoofdgebouw, maar kwam met al zijn saaie grauwgrijze Kruppstaal bepaald niet erg aanlokkelijk over. Na een snelle rondgang hielden Johan en Henk het voor gezien en werd er besloten het grote terrein te gaan verkennen. Daar waren restaurants en zouden aardige attracties te bekijken zijn en dat was heel wat leuker dan die reuzengrote scheepsschroef waar je alleen maar onderdoor kon lopen... De gidsmap werd tevoorschijn gehaald.

Plattegrond van het tentoonstellingsterrein. Het Rijksmuseum was toen een stuk kleiner dan tegenwoordig.

Lithografie op dubbel briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194001969.

Er was veel te zien en de keuze was niet makkelijk. Inmiddels was de ochtend alweer om en moest er aan de inwendige mens worden gedacht. Johan baande zich met zijn familieleden een weg door de steeds groter wordende menigte bezoekers, terug naar de hoofdingang. Buiten aangeland liepen ze naar links, om het hoofdgebouw heen en deden op de hoek het Paviljoen des Konings aan, waarna het Paviljoen der Stad Amsterdam te uit en te na werd bewonderd.

  

Het Koninklijk Paviljoen met het interieur.

Links: litho. Rechts: foto door E. Bernard, 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010005000943.

Paviljoen der Stad Amsterdam.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002186.

Daarna ging het in de richting van het stuk Paulus Potterkade dat zich over het tentoonstellingsterrein slingerde en waar zelfs het hoofdgebouw overheen was gebouwd. Midden in het grote terrein stond een muziekkiosk met daaromheen een viertal restaurants van Hollandse, Engelse, Duitse en Franse signatuur. Dit pleintje was gewoonlijk het drukste stuk van de tentoonstelling, al was niet iedere bezoeker gediend van buitenlands eten en al helemaal niet als de ober geen Nederlands sprak. Voor die eigenheimers was er verderop het Volksrestaurant, maar de Drosten verkozen een werelds restaurant bij de kiosk.

Een van de drukst bezochte gedeelten van het terrein: de cafés en restaurants rond de muziekkapel.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002168.

Zoals gebruikelijk bij de hogere klasse en de middenklasse in die jaren, spraken zij alle vier Frans en lieten zich dan ook met veel genoegen bedienen door een der Franse garçons. Genietend van hun eenvoudige middagmaal keken ze naar het gekrioel om hen heen buiten op het terrein. Zittend met hun rug naar het hoofdgebouw, zagen ze het stuk terrein dat door de P.C. Hooftstraat en de van Baerlestraat werd omzoomd in zijn volle omvang. Er waren werkelijk overal gebouwen, tenten en bouwsels neergezet, zodat het wel een dorp leek, maar wel een bijzonder rommelig dorp zonder kop of staart. Zonder plattegrond was het trouwens lastig kiezen en zelfs met de plattegrond erbij was het een hele uitzoekerij. De grote deelnemers stonden er met naam en toenaam op, de rest had een nummer en was terug te vinden op de verklaring die bijna honderd bezienswaardigheden bevatte, waarvan de meeste buiten het hoofdgebouw op het terrein waren.

Overzicht van het tentoonstellingsterrein achter het Rijksmuseum.

Tekening, 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010097010727.

De dames voelden zich nogal aangetrokken tot het gebouw der Schoone Kunsten dat vanaf het Rijksmuseum gezien het verst verwijderd lag, ongeveer op de plaats waar enkele jaren later het Concertgebouw zou verrijzen. Frankrijk, België en Nederland zwaaiden daar de scepter, waarbij het gastland zijn beste beentje voorzette met werken van beroemdheden als vader en zoon Israëls en Maris, en waarbij de gebroeders Drost uit de Franse afdeling moesten worden weggetrokken door de dames die van al dat blote en dat wufte zowaar een blosje hadden gekregen. Ook de gebroeders Drost kregen het er warm van en daarbij kwam dat het zomer was en de zon op zijn hoogst stond, zodat al snel het onderwerp ‘bier’ werd aangesneden. De dames schudden hun hoofd, maar de heren waren vastbesloten. Ze hadden op weg naar het restaurant een wonderlijk gebouwtje zien staan van bierbrouwerij De Haan & Sleutels. Van buiten zag het eruit als twee gekruiste biervaten en binnen werd het dorstlessende gerstenat getapt. Het was een der meest in het oog vallende bouwsels en je moést daar gewoon binnen geweest zijn. Er viel trouwens heel wat te proeven en te keuren op biergebied, want er waren maar liefst zeven bierhallen op het terrein. De zeer dorstigen konden later het genuttigde terugschenken in het Gemak- en Waschhuisje en wie geen bier wilde, vond een Champagnebar en enkele wijnlokalen of kon likeuren proeven bij Lucas Bols. De dames Drost kochten een flesje Roisdorfer mineraalwater.

Een selectie van vijf paviljoens. Vooral de grote bierton van De Haan & Sleutels trok veel bekijks.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002185.

Kabelradio in 1883

Na het nuttigen van hun lafenis liepen de Drostjes een stukje terug, richting de Paulus Potterkade waar ze een prachtige Chinese jonk in het water hadden zien liggen. Na die te hebben bewonderd, kregen ze het gebouw van de Bell-Telephoon-maatschappij in het oog. Dit jonge bedrijf verwelkomde in de dagen haar duizendste abonnee in Amsterdam en verzorgde de telefoonverbindingen voor de deelnemende paviljoens of bedrijven die daar tweehonderd harde Nederlandse guldens voor over hadden. De telefoon was voor menigeen nog een onbekend raadsel, en daar speelde de Telephoon-maatschappij handig op in. Mysterieuze reclamekreten als Telephoon Concertgebouw en Auditions Musicales Téléphoniques maakten menigeen nieuwsgierig. De organisatoren hadden Eugène Herrmann uit Berlijn in de arm genomen. Deze had ervaring met het verzorgen van muziekuitzendingen per telefoondraad, een doorslaand succes op internationale tentoonstellingen, en zoiets bijzonders moest natuurlijk ook in Amsterdam worden vertoond. Er waren kabelverbindingen aangelegd vanaf het tentoonstellingsterrein naar vier locaties in Amsterdam waar bij toerbeurt muziekuitvoeringen werden gegeven. Dat waren het Paleis voor Volksvlijt, de Stadsschouwburg, Tivoli en de muziektent nabij de uitspanning het Tolhuis in Buiksloot. Voor die laatste locatie waren zelfs kabels over de bodem van het IJ gelegd. De bezoekers van het gebouw van de Bell-Telephoon-maatschappij hoefden slechts twee ‘ijzeren oorlepels’ tegen hun oren te houden om de op kilometers afstand gespeelde muziek te kunnen horen. Le tout Amsterdam praatte erover.

De zaal met de Auditions Musicales Téléphoniques was een van de meest spectaculaire publiekstrekkers op de tentoonstelling.

Bron: Stadsarchief.

Dát was nu typisch iets waar een Drost bij moest zijn geweest, dus kochten de gebroeders vier kaartjes van een kwartje de man en gingen binnen. Ze waren niet de enigen, want dit was een van de meest gewilde attracties van de tentoonstelling. Geen nood, er waren maar liefst honderd luistertoestellen opgesteld. Wie er geen genoeg van kon krijgen, kon voor een rijksdaalder een abonnementboekje kopen dat recht gaf op twaalf luistersessies. Johan en Henk stonden te glunderen bij het idee dat er zulke goede muziekkwaliteit over zo’n grote afstand kon worden getransporteerd en Sophie en Lien geloofden nauwelijks dat zo’n orkest niet ergens stiekem vlakbij om de hoek zat te spelen. Er was op dat moment een optreden aan de gang vanuit de tuin van het Tolhuis in Buiksloot. De Fremersberg werd gespeeld.

Mocht bovenstaande muziekspeler niet werken, probeer dan de volgende.

Fragment uit ‘De Fremersberg’ van Miloslaw Koennemann, gespeeld door het Promenade Orkest o.l.v. Benedict Silberman van circa 1948. De dynamiek en de bandbreedte van het fragment werden door de auteur digitaal gemanipuleerd om het effect van de beperkingen van de primitieve koolmicrofoons enigszins te benaderen

Bron: Collectie Flip Jonkman - http://www.flipjonkman.com

Uitspanning Het Tolhuis aan de noordelijke kant van het IJ.

Uit: Tjeenk Willink, H.D., Amsterdam in 55 afbeeldingen, (Haarlem 1883). Bron: Bibliotheek auteur.

Die Tolhuistuin riep bij alle vier warme herinneringen op, want het was er steevast goed toeven voor mensen uit de drukke, volle stad. Je kon er kegelen, er stonden schommels, er was muziek en er liepen kelners af en aan met heerlijke slemp, chocola en stout, de lange witte boezels om hun middel gesnoerd. Het goede leven. Een dergelijke bestemming was ondanks paardentram en stoompont toch nog een aardig eind van huis. En dan kwam die muziek helemaal dáárvandaan...? Onder water nog wel...? Door zo’n dun draadje...? Het klonk voor iemand uit die tijd ongelofelijk, maar het was wél waar. Zo had Amsterdam dus al kabelradio in 1883 en leerde het publiek spelenderwijs de voordelen van de telefoon kennen. Een bezoeker schreef later: ‘Als men de Theelephoon niet aan de ooren houdt, is het geluid niemendal, een omstandigheid die nuttig is als men zaken wil zeggen die geheim zijn voor anderen’.

Voorgevel van het gebouw van de Nederlandse Koloniën, paradepaardje van gastland Nederland.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002183.

Al nababbelend over hun bijzondere concertervaring, wandelden de Drosten voor het hoofdgebouw langs naar de linker helft van het terrein. Daar stond de parel van gastland Nederland, het Koloniale Gebouw dat met zijn 4200 vierkante meter een voorname plaats innam, al viel er op de architectuur hier en daar wel wat af te dingen. Criticasters noemden het gebouw nogal geforceerd oosters, maar het Ministerie van Koloniën had in ieder geval goed in de bus geblazen en er was van alles aan gedaan om Nederland als trotse koloniale mogendheid in het internationale voetlicht te plaatsen.

Met name Nederlands Oost-Indië kwam uitgebreid aan bod, al werd West-Indië niet vergeten. Uiteraard kregen zaken waarmee de Nederlanders in de afgelopen eeuwen hun rijkdom hadden verworven als koffie, thee, rijst, tabak, specerijen, kinine en guttapercha de volle aandacht. Grote wandschilderingen benadrukten de uitstraling van het overzeese bezit. De rijk versierde binnenplaats van het gebouw toonde werken van een bekende inlandse schilder uit Oost-Indië en er was een spectaculaire veelheid aan wapentuig en afgodsbeelden, op opstandige inlanders buitgemaakt door het moederland. Ook uit de West was er van alles ingebracht, zoals vlinders, schelpen, vruchten en de prachtigste vogels. Voor mensen die nog nooit in de koloniën waren geweest zoals de Drosten, oogde al dat vreemde, dat mystieke, en vooral die oosterse sfeer overweldigend mooi, en de presentatie verdiende dan ook alle lof. Geen wonder dat het Koloniale Gebouw menige medaille in de wacht sleepte.

  

Het centrum van het gebouw van de Nederlandse Koloniën en enkele geëxposeerde stukken.

Lithografieën op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002176 en ...2166.

Centrale hal van de Nederlandse koloniale afdeling. Indrukwekkend veel allemaal, maar helaas rommelig en houterig ingericht.

Foto van P. Oosterhuis, 1883. Bron: Stadsarchief, inv. 010005000938.

Het Gamelanpaviljoen.

Prent. Stadsarchief, inv. 010018000225.

Buiten het gebouw ontdekten Johan en zijn gevolg een wonderlijk paviljoen, het Koloniale Park, bestaande uit een verzameling originele huizen en hutten uit alle hoeken van Oost-Indië, een pagode en een koepel waarin een gamelanorkest speelde. De huizen waren echt bewoond en daarvoor waren speciaal Javanen overgekomen, beter gezegd ‘ingezonden’ door het Nederlands Zendingsgenootschap. In en om de huisjes werden allerlei dagelijkse werkzaamheden uitgevoerd en er was zelfs een man met een stel buffels die een ploeg voorttrokken. Wat de oosterse gasten over al die blanke pottenkijkers dachten, vond het publiek in die dagen niet zo bijzonder interessant. Men had een kaartje gekocht en ging ‘inboorlingen’ bekijken. Dat diezelfde inboorlingen ook mensen waren met een eigen cultuur, werd toen nog niet zozeer op waarde geschat.

Inwoners van Nederlands Oost-Indië vergasten de bezoekers op muziek en dans in het Gamelanpaviljoen.

Tijdschrift ‘Paris Illustré’, speciale tentoonstellingseditie (1883). Bron: Universiteitsbibliotheek Amsterdam.

Zo was hun prachtige gamelan aan de westerse toonaard aangepast, zodat het bekende Wien Neêrlands Bloed erop ten gehore kon worden gebracht. Hoe de arme Indische spelers uit de voeten moesten met hun eigen muziek op die verprutste gamelan, werd niet overgeleverd. Dit soort zaken gingen aan het publiek volledig voorbij, evenals aan de Drosten die zichtbaar genoten van de exotische sfeer, de geurtjes en de zoete zangerige tonen die uit het koepeltje opstegen, of die nu authentiek Javaans klonken of niet. Ze kochten alle vier een zalige pisang voor een dubbeltje en genoten met volle teugen. En zij waren niet de enigen. De Kampong was een doorslaand succes.

  

De Javaanse kampong en het Javaanse dorp.

Lithografieën op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002180 en ...2175.

Johan en zijn gezelschap bleken de dag verstandig te hebben ingedeeld. De middag was inmiddels aardig gevorderd, maar niemand was echt doodmoe. Veel afwisseling en niet teveel diepgang was het devies geweest, en dat werkte prima. Welgemoed beenden ze naar de plantenkas die onderdeel was van het koloniale plein en waar een keur aan tropische vegetatie te bewonderen was. Daarna werden de bezienswaardigheden uit de vaderlandse koloniën ingeruild voor iets totaal anders, de machinehallen waar het een herrie van jewelste was. Een reusachtig vliegwiel stond naast het gebouw te draaien. Het hoorde bij een enorme stoommachine die een as aandreef die onder de vloeren van de ruimten doorliep om alle opgestelde machines te laten draaien, en dat waren er nogal wat. Er was een hoge stellage geplaatst middenin de hal, vanwaar de bezoeker een prachtig overzicht had. Nederland liep op het gebied van industrie en nijverheid bepaald niet voorop in Europa, maar andere landen juist weer wel. Het was allemaal indrukwekkend, maar erg specialistisch, tenminste dat vonden de schoonzusters Drost die met de handen voor hun oren snel weer naar buiten wandelden. Tegenover de Belgische machinehal stond een apart gebouw met daarin een Machine-fabriek voor Suiker-industrie. Daar waren kuipen van kolossale afmetingen tentoongesteld die bij het verwerken van suikerriet gebruikt werden. De gebroeders Drost bleven er maar naar staan kijken, want suiker vormde immers een heel belangrijk facet bij de firma Ronge en Drost aan de Prinsengracht, het domein van Henk en Johan. Helemaal aan de achterkant van het hoofdgebouw werd materieel van de Spoorwegen tentoongesteld, en even verderop was er een authentiek Japans theehuis waar de kunst van het theedrinken werd geprobeerd.

Zuidwesthoek van het terrein, gezien van de hoek van Baerlestraat en P.C. Hooftstraat. Rechts de rotonde voor de ‘Surinaamsche Inboorlngen’.

Foto van P. Reynet de la Rue.
Bron: Stadsarchief, inv. 010005000932.

De ‘Surinaamsche Negorij’ in de Rotonde.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002177.

Vlakbij het theehuis stond een zeer markant onderdeel van de tentoonstelling, een grote tent die de rotonde werd genoemd en die in de gids stond aangeduid als Indische Stammen, ofwel het domicilie van de Surinaamsche Inboorlingen. Johan en de zijnen waren ieder een kwartje kwijt om de tent binnen te mogen, maar omdat het er een drukte van belang was, werd er niet lang geaarzeld. Je had namelijk niet iedere dag de kans om Bosnegers, Indianen en Creolen van nabij te aanschouwen. En evenals in de Kampong waren de gasten uit het verre Suriname bezig in of voor hun zelfgemaakte hutten waarvan het materiaal uit hun geboorteland was meegekomen. Hoewel het in deze tijd ondenkbaar zou zijn om het publiek voor een kwartje te laten kijken naar mensen van een ander ras alsof het dieren waren, werd daar in 1883 absoluut geen punt van gemaakt. Voor de gemiddelde bezoeker van toen was het als aapjes kijken in Artis: men keek naar levende tentoonstellingswaar: interessant en soms vertederend, meer niet. Intussen hadden de Surinamers het koud. Ze hadden zich veel meer van hun verre reis voorgesteld, want ze zouden de koning in eigen persoon mogen ontmoeten, hetgeen helaas nooit gebeurde. In plaats daarvan werden ze dag in dag uit als koopwaar aangegaapt en waren ze blij dat ze voor de winter weer naar huis, naar kun kondre mochten.

Na de rotonde werden er wat kleinere paviljoens aangedaan door de Drosten, waarna het Internationale Wijnhuis werd bezocht, en na al dat aperatievelijke heerlijks was het weer tijd om aan tafel te gaan.

Het Internationale Wijnhuis.

Lithografie op briefkaartformaat, behorende bij een set kaarten van paviljoens enz. Bron: Stadsarchief, inv. 010194002174.

Keuze genoeg rond de muziekkiosk. Ditmaal was het de Duitse keuken die werd bezocht en de vermoeide voeten mochten even rusten. De maaltijd was royaal en voedzaam. Even hadden ze geaarzeld om het Hollandse restaurant aan te doen, maar een snelle blik op de menukaart had hen daar vanaf doen zien. Het was op en top Hollandse wat de pot schafte en dat was, gelet op de buitenlandse bezoekers, wel te verwachten. Maar het menu deed hen teveel aan dat van de Karseboom denken. In dat bekende etablissement aan de Kalverstraat waren de gebroeders Drost al meerdere malen geweest. Het was met zijn ruim honderd jaar een der eerste café-restaurants in Amsterdam en een geliefde plaats voor beursmensen en zakenlui die een voorliefde hadden voor de klassieke, zuivere Hollandse keuken. Zo serveerde de Karseboom nog de echte hutspot en er was pap, roomtaart, rijst met pruimen en hangop. Dat was van die heerlijke ingedikte karnemelk die je at met kaneel, suiker en een geraspte beschuit. Maar nu waren de Drostjes op een internationale tentoonstelling, dus even geen Hollands...

Na de maaltijd werden er heerlijke sigaren gekocht in de speciale sigarenkiosk op het terrein en het bier dat de heren daarna nuttigden bij de Koninklijke Nederlandsche Beiersch-Bierbrouwerij sloot prima bij de stevige Duitse maaltijd aan, al kostte dat bier wel een dubbeltje per glas. Bij de Maastrichtse Bierhal stonden de mensen in dikke rijen te wachten, maar daar kostte het bier dan ook slechts vijf cents.

Naarstig werd het terrein afgelopen naar bezienswaardigheden die voor donker dienden te worden bekeken, zoals de Camera Obscura, en toen het begon te schemeren, stevenden de vier op het populaire paviljoentje af van de Amsterdamse diamantslijpers. Het door hen geslepen fraais was te bewonderen in vitrines die prachtig beveiligd waren. Zodra je iets zou proberen te forceren, zonken de kistjes met hun kostbare diamanten diep weg onder een stalen plaat. Zowel de dames als de heren Drost keken hun ogen uit. De myriaden schitteringen in de hel verlichte ruimte deden bijna pijn aan je ogen.

 

Elektrisch licht

Inmiddels was het donker geworden en was overal op het terrein de elektrische verlichting ontstoken. Dat was tamelijk nieuw voor Amsterdam, elektrisch licht. Na enig zoeken waren Johan en Henk bij de stoommachine terechtgekomen die een enorme dynamo aandreef. Het hele terrein baadde in het schijnsel van talloze glazen bollen die een gloeidraad in hun binnenste hadden waar een fraai schijnsel vanaf kwam. Het was een mooie constante lichtbron die, in tegenstelling met het gebruikelijke gas- of olielicht niet flikkerde. Als primeur was er een jaar eerder bij Hotel Krasnapolsky een dynamo geplaatst die stroom moest opwekken voor de elektrische verlichting in de Wintertuin. Een novum in die tijd. Vooral Johan was er helemaal verrukt van. Hij legde zijn dames uit dat die stroom door draden naar de lampen werd getransporteerd. Henk stond er ernstig bij te kijken.
‘Als je die draden aanraakt, krijg je een schok en ga je dood’, zei Johan met de blik van een kenner.
‘Gelukkig hangen die lampen en die draden hier veilig hoog’, zei Sophie opgelucht.
Johan knikte, maar hij was niet meer te houden. Hij had ergens iets gelezen over een Amerikaan die lampen aan de lopende band produceerde, huizen met die lampen inrichtte en aan het eind van zo’n straat een machine installeerde die de stroom opwekte.
‘Binnen niet al te lange tijd komt het elektrische licht ook in Amsterdam beschikbaar voor woningen’, zei hij.
‘Als je maar niet denkt dat ik dat dodelijke goedje in mijn huis wil hebben’, antwoordde zijn vrouw ontzet.
‘O, dat valt wel mee. Er komt alleen een knopje bij de deur om het licht aan en uit te doen’.
Sophie keek hem ongelovig aan.
‘Dus van dat knopje moet ik afblijven”, zei ze in opperste ernst.
‘Nee lieve Fietje, die knopjes zijn er juist voor om de stroom verder het huis in te leiden’.
‘Gaat de elektriciteit dan niet alleen naar die lamp?...’ Haar stem trilde een beetje.
‘Nee hoor, die is overal in huis’.
Sophie verkrampte. ‘Jóhan! Ik geloof dat je gék geworden bent...!’.
Maar Johan was helemaal niet gek. Deze voortvarende zakenman had direct de ontelbare voordelen gezien van elektrisch licht en droomde van een mooi eigen grachtenhuis, helemaal elektrisch verlicht. Mét telefoon. Uiteraard! Het was deze zelfde Johan die als eerste in de familie een kristalontvanger met losse spoelen en hoofdtelefoon zou aanschaffen om de pas begonnen AVRO-uitzendingen te beluisteren.

 


Het was tijd geworden om naar huis te gaan. Nog even snel werd in het Engelse restaurant een drankje gedronken, maar zo’n hele dag heen en weer lopen begon iedereen zo zoetjes aan op te breken. Na een volle twaalf uur te hebben rondgelopen, gingen de families Drost moe maar voldaan naar huis. Hendrik en Lien hoefden niet ver te lopen, en Johan en Fietje evenmin, die namen een coupeetje. Het was te laat om de kinderen bij oma op te halen en daarbij hadden ze geen zin om op de paardentram te wachten of op de omnibus, met al die mensen bij de halte die ook allemaal richting centrum wilden. Ze waren moe en hadden ondanks de caleidoscoop aan indrukken bij lange na niet alles gezien, maar wie weet zouden ze er nog eens terugkomen.

Amsterdam terug op de wereldkaart

De Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling duurde tot en met 31 oktober. Het aantal bezoekers werd geschat op beneden de anderhalf miljoen en dat maakte het evenement niet echt tot een internationale hoogvlieger. Sterker nog, in het lijstje van toonaangevende wereldtentoonstellingen komt Amsterdam 1883 niet voor, maar in de tweede categorie werd het een niet weg te denken gebeurtenis. Jaren lang werd er nagepraat over deze thematentoonstelling die Nederland en met name Amsterdam op de wereldkaart had teruggezet. In dat opzicht was het hele gebeuren een doorslaand succes te noemen, en al was het aantal buitenlandse bezoekers wat tegengevallen, de opkomst van mensen uit de provincie was des te groter geweest. In drommen waren ze op het unieke spektakel afgekomen, soms zelfs te voet. Veel bedrijven hadden hun werknemers in staat gesteld om geheel of gedeeltelijk op kosten van de baas de paviljoens te bezoeken, teneinde daar wat van op te steken. De vele bezoekers hadden flink geld uitgegeven in de hoofdstad, en verder waren er heel wat zakelijke contacten gelegd. Klinkende firmanamen waren er gevestigd of bestendigd. Het had onderscheidingen geregend en alleen Nederland al had 1380 bekroningen ontvangen; dat waren erediploma’s, medailles en eervolle vermeldingen. Nog steeds staan op etiketten van oude gevestigde firma’s de medailles van 1883 afgebeeld, in Nederland en daarbuiten.

Presentatie van Erven Lucas Bols met een aantal verworven onderscheidingen uit de 19de eeuw.

Coll: Koninklijke Distilleerderij Erven Lucas Bols NV.

Er waren nog meer voordelen behaald. Het Belgische koningspaar had de tentoonstelling bezocht, daarbij rondgeleid door Willem III. Zulke dingen waren goed voor een hechtere vriendschap tussen beide landen die nog niet zo lang tevoren met elkaar in oorlog waren geweest. Ook op cultureel terrein was er winst behaald. Nogal wat deelnemende landen van buiten Europa vonden het niet de moeite waard om hun tentoongestelde voorwerpen, waaronder waardevolle etnografica terug te laten verschepen, en schonken alles aan de Nederlandse regering. Museumdirecteuren wedijverden om die achtergelaten collecties, met name die van de koning van Siam en het immense aanbod uit Nederlands Indië. Alles werd over enkele musea en instituten verdeeld. Er kwam een Koloniaal Museum in Amsterdam dat later zou overgaan in het bekende Koninklijk Instituut voor de Tropen.

Wat de organisatoren van de tentoonstelling goed hadden aangepakt, was de omgang met de pers van buiten Amsterdam. Er was zelfs een zeer representatief Paviljoen voor de Pers gebouwd, ontworpen door P.H.J. Kuypers, de architect van het Rijksmuseum. Bouw en inrichting waren gesponsord door het bedrijfsleven en er was van alles gedaan om vooral de buitenlandse journalist te fêteren. De firma Kruimel stelde champagne beschikbaar, de sigarenzaak van Hajenius had er zijn rookwaren liggen, Focke & Meltzer leverde het glaswerk, en er werd kwistig met gratis entreebewijzen en treinabonnementen gestrooid. Zo houterig en onervaren als de Nederlandse paviljoens in de grote gebouwen waren ingericht, zo voortvarend en wervend was men bezig geweest de pers te masseren. De Amsterdamse koopmansgeest had zich niet verloochend.

De Amsterdamse tentoonstelling had wel enkele rare trekjes, zoals de inmenging van buitenlandse geldschieters die na afloop met de winst naar huis gingen en menige Nederlandse betrokkene met een kater achterliet. En verder was er wat geks aan de hand met de medailles. Die hoorden van goud, zilver en brons te zijn, maar uit Hollandse zuinigheid had men alle munten in brons geslagen, zodat de mensen die met goud of zilver waren vereerd, naar huis moesten met een stukje brons waarop slechts vermeld stond dat het een heuse gouden of zilveren onderscheiding betrof...

En ach, dan was er die hooggestemde toon in krantenartikelen, folders, toespraken, zo eigen aan de euforie rond de 19de-eeuwse tentoonstellingen. Ze waren doordrenkt van de plechtstatige retoriek uit die jaren, waarbij de verheffing van de Vooruitgang bijna tot iets sacraals was geworden. Erg veel oppositie was er niet. De Amsterdammers waren gewoon vreselijk trots op ‘hun’ wereldtentoonstelling, en dat mocht iedereen weten. Overigens liet niet iedere Amsterdammer zich in superlatieven over de tentoonstelling uit. Kunstenaar R.N. (Rik) Roland Holst die schuin tegenover het tentoonstellingsterrein woonde en als vijftienjarige knaap alles meemaakte, beschreef op latere leeftijd de tentoonstelling als ‘luidruchtigen rommel’ en schreef over zijn stadgenoten:

‘Zij waanden Amsterdam een tweede Parijs en waren provinciaal genoeg om dat deftiger te vinden. Wat er aan internationale slechte smaak opgeld deed, werd naar Holland overgebracht en met ophef bewonderd. ... Een roes van vreugde hing over Amsterdam, een nieuwe gouden eeuw leek op komst, er waren maar weinigen die zagen dat het groot verleden en dit heden, even weinig op elkaar geleken als de Amsterdamsche schutterij onder meneer Boelaart op Frederik Hendrik’s vliegende vendels van weleer. Waarmede heeft dit opgeblazen vertoon ons nationale leven verrijkt? Bij mij persoonlijk leeft alleen nog nà, de herinnering aan een bonte opéénstapeling van waren in broeierige zalen, die lusteloos werden binnen gegaan en versuft werden verlaten; aan een véél te veel van schetterige muziek die overwoei, en het ziek liggen noodeloos verdrietig maakte, en aan de pret, waarmede wij als jongens een paar jaar later de verregende overblijfselen van inelkaar gezakte gipsen olifanten, holle Mercuriusbeelden, en viermaal levensgroote andere handelsgoden van pleister, met onze oude cricketbats bewerkten’.

Een Drost moést daarbij geweest zijn!

In 1887 was er in Amsterdam de Tentoonstelling van voedingsmiddelen, wederom achter het Rijksmuseum gehouden en in 1895 was er op diezelfde plek de Wereldtentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen. Johan Drost moest in 1891 zijn lieve vrouw Sophie ten grave dragen, maar hertrouwde in 1893. Zijn zoons gingen op kostschool. Nicolas Charles was in Amsterdam toen Wilhelmina in 1898 tot koningin werd gekroond, en kocht een toegangsbiljet voor het grote vuurwerk op de kroningsdag voor het destijds riante bedrag van vijf gulden, waarvoor de jonge kostschoolganger zijn vader een poot moet hebben uitgedraaid. Hij sloeg het vuurwerk gade vanaf de comfortabele plek van een elektrisch verlichte boot. Niet lang daarna vertrok hij naar Duitsland om in de leer te gaan bij een suikerverwerkend bedrijf, evenals zijn oudere broer Johan. Het biljet bewaarde hij als souvenir. De Drosten waren erbij geweest!

Drost-archief DD 147.

Nicolas Charles groeide in de voetsporen van zijn vader en zijn oom uit tot een ondernemend en zakelijk man. Hoewel hij en zijn broer Johan beiden de scepter zwaaiden over de firma Ronge en Drost, bleek hij uiteindelijk de meest actieve van de twee in het pand aan de Prinsengracht waar hij en zijn gezin tevens woonde. In de lijn van zijn vader probeerde Nicolas Charles zijn drie zoons veel mee te geven waar ze later plezier van zouden hebben. Belangrijke evenementen werden niet overgeslagen, maar juist gekoesterd. Toen in 1919 het Panopticum zijn deuren ging sluiten, nam hij zijn kans meteen waar door zijn zevenjarig zoontje Chassie kennis te laten maken met enkele belangrijke momenten in de geschiedenis die waren uitgebeeld door wassen beelden in een passend decor.

Het Panopticum aan de Amstelstraat, befaamd vanwege zijn wassen beelden en sfeervolle decors.

Prent, eind 19de eeuw. Bron: Stadsarchief, inv. 010194000964.

Toen er in 1931 in Parijs de Exposition Coloniale Internationale was met een prachtig Nederlands paviljoen over het rijke overzeese bezit, pakte de hele familie de trein naar de lichtstad en gaf acte de présence. Immers, een Drost moést daar bij geweest zijn...

Top

Hoofdstuk 11     Welkom & Uitleg     Genealogie     Hoofdstuk 13

Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.