Welkom & Uitleg Genealogie


Bert Bolle
Hoofdstuk 20
De erfenis van de Zitreus
Hoe huishoudster Greet Boddéus haar erfenis misliep
H o o f d s t u k k e n w i j z e r
___________________________________________________
ATTENTIE
Dit is hoofdstuk 20. De hoofdstukken 14 t/m 19 zijn nog in voorbereiding en zullen gaan over de familie Drost in de periode 1920 tot heden.

Hendrik Drost, bijgenaamd de Zitreus eind jaren tachtig van de 19de eeuw. Drost-archief DB 1798.
De erfenis van de Zitreus
Een van de meest markante figuren uit het schouwtoneel der Drosten is Hendrik Drost, bijgenaamd de Zitreus, koopman en commissionair, geboren in 1840 en overleden in 1931. Ditmaal kies ik bij uitzondering voor een schrijfvorm die minder afstandelijk klinkt dan ‘de auteur’ en schakel nu, aan het eind van dit boek, over op de ik-vorm. In de vorige hoofdstukken nam ik afstand, zoals dat een onderzoeker en waarnemer betaamt, noemde ik zo veel mogelijk feiten en probeerde ik zo weinig mogelijk te romantiseren. Ik was er immers meestal nooit zelf bij geweest. Echter, soms leent een bepaalde gebeurtenis zich voor een andere toonzetting.
Neem nu dat verhaal over Hendrik Drost bijgenaamd de Zitreus, de oudere broer van ‘opaatje Drost’.
Over de Zitreus deed in de familie het hardnekkige gerucht de ronde dat hij in de jaren tachtig van de 19de eeuw een enorm bedrag zou hebben gewonnen in een loterij. Hoeveel dat was werd nooit bekend, maar hij zou zijn bezit veilig in een kluis hebben opgeborgen. ‘Anders geeft mijn vrouw het toch allemaal maar uit’, zou hij in vertrouwen tegen zijn broer Johan hebben gezegd. Dat was tegen het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw.

Greet (zittend) en Mien
De Zitreus bleek, eenmaal oud geworden, niet bijzonder geliefd te zijn geweest bij de familie Drost. Er werd nogal eens in wat lacherige zin over hem gepraat. Met name jongere kinderen hadden geen prettige herinneringen overgehouden aan deze in hun ogen wat narrige, gierige man die het kennelijk niet erg ophad met kinderen, althans zo luidde de overlevering. Henkie de Zitreus, zoals er ook wel over hem werd gesproken, woonde in Hilversum aan de Sationsstraat en hield er jarenlang twee huishoudsters op na, Mien en Greet, van wie Greet in de jaren twintig overbleef en van wie we weten dat haar meisjesnaam Schothorst luidde. Zij was zijn gezelschapsdame en ging steevast mee als er ergens een Drostenfeest was. Iedereen kende haar en de jongere garde noemde haar tante Greet. Ze was een keurige verschijning en dermate door de familie geaccepteerd dat er een paar generaties later zelfs werd gedacht dat die twee getrouwd waren geweest.
Dat laatste was niet waar. De Zitreus was in 1900 weduwnaar geworden en dat zou hij tot zijn dood in 1931 blijven. In 1928, een kleine drie jaar voor het overlijden van haar broodheer, trad Greet Schothorst in het huwelijk met de gepensioneerde tramconducteur Boddéus, maar ze bleef de Zitreus tot zijn dood toe trouw dienen.
Natuurlijk heb ik geprobeerd te achterhalen wat er met het kapitaal van de Zitreus was gebeurd, maar het schijnt voor een belangrijk deel aan de neuzen van de Drosten voorbij te zijn gegaan. Blijkbaar was zijn relatie met de familie van zijn overleden vrouw Lien Bredal van veel betekenis en inhoud geweest, waarschijnlijk meer dan die met de Drosten. Executeur testamentair was dan ook zijn stief-schoonzoon Coenraad Soutendam.
Alles bij elkaar optellende, ging ik ervan uit dat ook de loterijhoofdprijs naar de Soutendams was gegaan.
Die aanname bleek echter niet juist te zijn geweest.
Nadat in augustus 2005 in de Gooi- en Eemlander een artikel had gestaan in verband met mijn onderzoek naar de treinramp bij Weesp waar Jo Drost uit Hilversum bij betrokken was geweest (zie hoofdstuk 13), kreeg ik uit Nederland een brief van een Hilversumse mevrouw die mij het volgende schreef:
‘Geachte heer Bolle. Mijn moeder was een buurvrouw van mevrouw Boddéus, de huishoudster van de oude meneer Drost die vlakbij het station woonde. Mijn moeder was altijd erg geïnteresseerd in oude krantenknipsels en foto’s en had op een dag van haar buurvrouw een kartonnen doos gekregen met spulletjes van meneer Drost. Die doos staat nu bij mij, want mijn moeder is onlangs op hoge leeftijd overleden. Ik doe niets met die doos en misschien hebt u er interesse in.’
En of ik er interesse in had! Na een week of twee stond de doos dan ook prominent op mijn bureau.
De doos bevatte de gebruikelijke paperassen die een huishoudster zoal tijdens haar dienstjaren vergaart en afgezien van een paar oude foto’s, een paar rouwkaarten en een stapel krantenknipsels, zat er niets bij wat me erg boeide. Er lag een oude sleutel onderin. Het was een keurige kleine sleutel, mooi van kwaliteit en met een keurig afgewerkte baard, duidelijk een sleutel die bij een slotje van degelijke makelij hoorde. Maar het was een tamelijk kleine sleutel, te klein om als huissleutel te dienen, eerder voor een kast of een kluisje. Bij nadere inspectie bleek er de naam ‘Optima’ in gegraveerd te staan.

Het sleuteltje van het fabrikaat Optima.
Tussen de papieren lag een oude vergeelde envelop met de naam ‘Hope & Co.’ en in sierijke letters H. Drost erop geschreven. Onderaan stond, in een ander handschrift en een andere inktkleur: ‘Greet, ga met dezen volmachtbrief en overeenkomst terstond na mijn overlijden naar den Bank Hope en handel zooals ik gezegd heb. HD’.

De envelop van de depot-overeenkomst met de aantekening van de Zitreus.
Nogmaals spitte ik de stapel paperassen door, ditmaal met beduidend meer aandacht. En zowaar, tussen de brieven, nota’s en bonnetjes vond ik een stuk papier met de firmanaam Hope & Co. erop. Bovenin stond het wapenschild afgebeeld van de Russische keizerlijke familie zoals dat in fraai hutsnijwerk was geschonken aan Hope & Co. als bankiers van Rusland. Het wapen werd geflankeerd door twee ankers als symbool van de hoop, teruggrijpend naar de oude Schotse familie Hope die als verwanten van de Earl of Hopetoun naar de Nederlanden weren geëmigreerd. Het stuk papier was een overeenkomst tussen de bank en Hendrik Drost, gedateerd 2 juni 1890. Het bovenste deel van het document was heel wat chiquer dan de rest, want die was in een kriebelig handschrift volgeschreven, een lastig leesbare tekst waaruit op te maken viel dat de heer Hendrik Drost, wonende aan de Weteringschans 147 en ville een pak in bewaring gaf, ‘inhoudende eenen afgesloten ouden ijzeren documentenkist ‘Optima’, sleutel in bezit van den cliënt’. De overeenkomst liep ‘voor onbepaalden tijd’ en er was een riant bedrag vooruitbetaald. De heer Drost had als voorwaarde laten aantekenen dat de bank geen contact mocht opnemen, noch met hemzelf, noch met eventuele erven. Was getekend: Hendrik Drost.

Gedeelte van de depot-overeenkomst voor het in bewaring gegeven kistje.
Er schoot van alles door me heen, maar het antwoord lag eigenlijk voor de hand. De Zitreus had die sleutel met de bijbehorende papieren klaarblijkelijk aan zijn huishoudster gegeven. Mogelijk ging het slechts om een reservesleutel maar net zo goed zou het de originele sleutel kunnen zijn geweest. In dat laatste geval was het niet ondenkbaar dat Hendrik Drost mevrouw Boddéus had willen belonen voor haar goede diensten na al die jaren en had hij haar toevertrouwd dat ze na zijn dood de inhoud van zijn kluisje mocht hebben. Uiteindelijk betekende mevrouw Boddéus voor hem veel meer dan een vrouw die alleen maar voor hem kookte en de was voor hem deed. Nu zou zijn gezelschapsdame na zijn dood geen last hebben van lastige erfgenamen, want niemand behalve hijzelf en mevrouw Boddéus wisten van die schenking. Deze sleutel zag er inderdaad uit als een sleutel die hoorde bij een kleine safe of een geldkist en door de envelop en de overeenkomst lag er een link naar een bank met een klinkende ouderwetse Amsterdamse naam.
Ik vroeg me af wat er kon zijn gebeurd. Als mevrouw Boddéus inderdaad het kistje had opgehaald, waarom had de bank haar dan die overeenkomst zomaar zonder aantekening of afgestempeld als ongeldig teruggegeven en wat deed dat losse sleuteltje in die doos? Er klopte iets niet. Over mevrouw Boddéus was niets meer te achterhalen dan een paar foto’s van haar en haar man uit 1941 die ik terugvond in een album van Jo en Alie Drost.

Zo nu en dan kreeg de familie Drost een teken van leven van Greet Boddéus en haar man, zoals bij hun 12½-jarig huwelijksfeest in 1941. Drost-archief DB 0512.
Nieuwsgierig geworden, wilde ik proberen uit te zoeken of de vrouw destijds inderdaad naar de bank was gegaan om de in depot gegeven spullen van haar overleden baas op te halen en toen ik weer terug was in Nederland voor onderzoek, zocht ik contact met de bank Mees Pierson over deze kwestie. Daar zei men mij van niets te weten, maar al het archiefmateriaal van de bank zou in het Stadsarchief liggen. Daar aangeland sloeg de schrik me om het hart, want het archief Hope & Co. onder inventarisnummer PA 735 besloeg met al zijn mappen, ordners en dozen maar liefst 150 strekkende meter stelling! Gelukkig was het archief van het oude bankiershuis in 1996 ontsloten en vervat in een uitgebreide inventaris en was er in 1997 een boek verschenen over de ontstaansgeschiedenis van MeesPierson waarin ik kennis maakte met een voor mij vrijwel onbekende wereld. Mijn ontdekkingsreis naar het kistje van de Zitreus was begonnen.
Hope & Co.
Bancair koploper in de Nederlandse pruikentijd
Na de Gouden Eeuw was de rol van Nederland als actief handelsland steeds verder op de achtergrond geraakt. De goederenstromen die het land en met name Amsterdam zoveel welvaart brachten, gingen steeds vaker buiten de Republiek om plaatsvinden. De financiële afwikkeling van veel van die buitenlandse goederentransacties bleef echter nog lange tijd via de Amsteramse handelshuizen lopen. Deze gingen zich meer en meer concentreren op het financieren van transacties dan zelf goederen te verhandelen zoas dat vroeger was gebeurd. Ook bij de emissies van buitenlandse staatsleningen kregen de handelshuizen een dominante positie.
In 1734 namen de Thomas en Adrian Hope, kleinzoons van de Schotse immigrant Henry Hope een handels- en scheepvaartbedrijf over van hun broer Archibald. Het bedrijf heette toen Thomas & Adrana Hope en had zakelijke connecties met het stadhouderlijke hof. Naast de goederenhandel kregen de broers steeds meer voet aan de grond bij de financiële dienstverlening zoals het wisselverkeer en het verschaffen van kredieten. Steeds vaker werden er leningen geplaatst voor vorsten en regeringen en omstreeks 1750 lag het zwaartepunt bij het bedrijf helemaal in de financiële sector. In 1762 traden enkele familieleden toe en werd de naam van de firma Hope & Co. Zo ontwikkelde het handelshuis zich al spoedig tot koploper in de financiële dienstverlening. De goederenhandel werd aangehouden, maar het geld nam een allesoverheersende plaats in. Buitenlandse vorsten deden een beroep op Hope & Co. voor leningen en in 1788 trad de Russische tsaar toe toe de cliëntele van het handelshuis dat zich toen profileerde als ‘Hope & Comp., banquiers tot Amsterdam’.

Kaart van de Verenige Staten van Amerika uit 1825 met het toenmalige Louisiana in geel.
In het begin van de 19de eeuw beleefde de firma een jubelend hoogtepunt door het bemiddelen en financieren van de verkoop van Louisiana, destijds met de gigantische oppervlakte van eenderde van de huidige Verenigde Staten. Napoleon verkocht het voor 15 niljoen dollar (!) en Hope & Co. nam de financiering voor zijn rekening samen met het Londense Baring Brothers & Co. dat niet lang daarna de financiële touwtjes in handen kreeg van de Amsterdamse firma die door gebrek aan opvolgers niet meer door de familie Hope kon worden voortgezet. Baring Brothers en de Rothschilds zetten in het vervolg de toon in de internationale financiële wereld, maar in Nederland bleef Hope & Co. hét handelshuis van naam en klasse. Er was een uitstekende samenwerking met onderaannemers en makelaars waarbij de firma Wed. W. Borski de hoofdrol speelde, vooral als het ging om de relaties met het Russische hof. De roem van Hope & Co. lag lange tijd in het plaatsen van Russische staatsleningen.

Het pand aan de Keizersgracht 579-581 waarvan de verdiepingen boven de stallen plaats bood aan Hope & Co. De foto werd kort voor de sloop in 1898 genomen.
Hope & Co. verliet omstreeks 1815 het familiepandencomplex dat gelegen was tussen de Keizersgracht en de Prinsengracht nabij het Molenpad en betrok een pand aan de Keizersgracht 579-581 dat toebehoorde aan een van de pas benoemde firmanten die aan de Herengracht woonde en vanuit zijn achtertuin het Keizersgrachtpand kon bereiken en het gebruikte als koetshuis en stal. De bovenverdiepingen werden ingenomen door Hope & Co. Vanaf de gracht moest de bezoeker zijn weg vinden door een steeg, waarna hij via een nauwe trap bij het loket kwam die zicht gaf op een van de achterkamers van het pand..

Bankpersoneel van Hope & Co. omstreeks 1895.
Daar stond hij oog in oog met de bankbedienden die tezamen met de firmanten werkten onder de staatsieportretten van enkele Russische tsaren.

De firmantenbureaus met het portret van een der Russische tsaren.
Een spreekkamer voor de cliënt was er niet; vergaderruimte evenmin. Een wat schamele presentatie, maar dat deerde de bank in genen dele. Veel aanloop van bezoekers had het bedrijf toch al niet en tegen het einde van de 19de eeuw toen de rol van Hope & Co. als emittent van buitenlandse leningen goeddeels was uitgespeeld, kwamen de inkomsten in hoofdzaak van het administreren van vermogens en oude leningen en een stevige positie in de zogeheten prolongatiemarkt aan de beurs, waarbij het ging om kort geld. Hoe dan ook, soberheid was troef aan de Keizersgracht. En zo bleef Hope & Co. gehuisveest boven de stal tot 1898, waarna er op dezelfde plek een fraai nieuw gebouw werd neergezet zoals dat er heden ten dage nog staat, al zetelt Hope & Co. er allang niet meer.

Blauwdruk van de bouwtekening van het in 1898 door architect Abraham Salm GBzn ontworpen bankgebouw aan de Keizersgracht 579-581.
De 20ste eeuw werd gekenmerkt door het samengaan van kleinere en grotere bankiershuizen. Zo was er de firma Van Loon & Co. die nauw verweven was met Hope & Co. en die daar in 1937 in opging, gevolgd door de firma Lisa & Kann. In 1962 kwam de fusie met R. Mees & Zoonen tot stand. Zo ontstond Mees & Hope die in 1969 Bank Mees & Hope ging heten na een fusie met de Nederlandse Overzee Bank. In 1993 werd er samengegaan met Pierson, Heldring & Pierson onder de naam MeesPierson, waarna het bedrijf in 1997 door Fortis werd overgenomen. Zo kwamen de ooit zo statige en gerenommeerde handelshuizen en particuliere banken in handen van een tweede garnituur bank die in de 21ste eeuw tijdens de credietcrisis jammerlijk onderuit ging.
Kijken we terug naar de bedrijven die ten grondslag lagen aan al die fusies, dan zien we een lappendeken aan namen, zoals Brinkman & Co., Schill & Capadose, Furnée & Co., Vlaer & Kol, Van Loon & Co., Lisa & Kann, Theodoor Gilissen, Fred. Philips, Kingma’s Bank en nog heel wat namen meer. Iedere bank die in een andere bank opging nam behalve zijn zakelijke inbreng ook zijn specifieke ‘erfenissen’ mee. Al deze particuliere banken hadden namelijk hun eigen cliëntele en met veel cliënten waren speciale afspraken gemaakt, zoals het beheren of in bewaring nemen van waardevolle zaken, familiepapieren, administraties en dergelijke. Vaak liepen die relaties al generaties lang en zo ontstond er door het samengaan van al die banken geleidelijk aan een bonte mengeling aan depotgoederen die in de 20ste eeuw verhuisde van het ene tijdelijke depot naar het andere. Daar zaten dus ook goederen bij die ooit in bewaring waren gegeven bij Hope & Co.
|
Waarom Hendrik Drost ooit een kistje in bewaring had gegeven bij Hope & Co. zal voor altijd een raadsel blijven. Het bankiershuis was in feite niet ingesteld op het in bewaring nemen van goederen van cliënten, maar Hendrik Drost moet als beursman in nauw contact hebben gestaan met Van Loon & Co. die door de onderlinge uitwisseling van firmanten en kapitaaldeelnemingen sterk gelieerd was aan Hope & Co. en zelfs kantoorruimte deelde in het pand aan de Keizersgracht. Ook zal Drost een bekend internationaal commissionair als Adolph Boissevain hebben gekend die aan de voet stond van de oprichting van de NV Wester Suikerraffinaderij en waar de firma Ronge en Drost ook nauw bij was betrokken. In die tijd kende iedereen elkaar en zo zal Hendrik Drost daar in het oude bankierskantoor boven de stal aan de Keizersgracht zeker geen vreemde zijn geweest.

De bankiers jhr. W.H. van Loon en C.H. Labouchere op het Damrak in 1908, op weg van de beurs naar hun burelen. Labouchere was een nazaat van de illustere Pierre César Labouchere die de internationale positie en het aanzien van Hope & Co. in de decennia rond 1800 aanzienlijk had weten te versterken.
Na enig heen en weer gevraag deelde iemand bij MeesPierson mij mede dat er inderdaad een centraal depot was, en wel aan de Herengracht. Op het opgegeven adres vond ik een trots zeventiende-eeuws pand met een fraaie halsgevel, mogelijk een voormalig domicilie van een van de oude handelshuizen die door samenvoeging waren versmolten tot MeesPierson. Op een bord naast de deur stond Centraal Depot Bankiershuizen. Eindelijk, na drie keer aanbellen hoorde ik geschuifel en opende een man, gehuld in een stofjas de stijlvolle, standgroen geschilderde deur. Ik vertelde hem dat ik onderzoek deed naar een familielid van mijn vrouw, een reeds lang overleden cliënt van de bank Hope & Co., dat er mogelijk iets in depot lag waar de erven recht op hadden en of hij me wilde helpen. Dat wilde hij wel. Een beetje sloverig liep de man voor me uit door een brede gang die een marmeren vloer had en een lambrisering van hetzelfde eerbiedwaardige materiaal. Terwijl ik door de gang liep, zag ik een meneer in een keurig pak die driftig zat te bellen in een zijvertrek. ‘Dat is de directeur’, zei de stofjas, terwijl hij zuchtend op de knop van de lift drukte. ‘Vroeger zaten het archief en het depot in de kelder, maar daar was vaak lekkage en toen hebben we de bovenste verdieping maar in gebruik genomen.’ Ik knikte belangstellend.
‘Werkt u hier full-time?’ vroeg ik. De man zag eruit als een vutter.
‘Mijn collega en ik draaien omstebeurt meneer. Ik zit hier vandaag nog tot de lunch en daarna doet hij de tweede helft van de week. Ik werk al bijna veertig jaar bij Mees en Hope, ziet u.’ De naam Mees en Hope werd bijna plechtig uitgesproken. Hij had dan ook een eerbiedwaardige klank, ook al was die oude bekende naam alweer zoveel jaren geleden veranderd in Mees Pierson. Zijn collega bleek bij Pierson, Heldring & Pierson vandaan te komen en had in zijn jonge jaren nog gewerkt bij Vlaer & Kol.
Eenmaal op twee hoog, schuifelde de man naar een grote zolderachtige kamer vol met schappen waarop dozen, pakken, boeken en zelfs spaarpotten hun plaats hadden gevonden. Midden in de ruimte was een enorme werktafel neergezet van licht eikenhout met een blad van zwart linoleum met daarop inpakspullen zoals ordnerdozen, een rol pakpapier, wat touw, plakband, een snijblad, een Stanleymes en een weegschaal. Alles zat onder een fijn laagje stof; de tijd had er stilgestaan. De stellingen waren van hout, het rook er muf en zolderachtig en er brandde gloeilamplicht, van die peertjes in van die verouderde geëmailleerde schuine kapjes. Afgezien van de ijverig knipperende rode lichtjes in de vele alarmsensoren, waren moderne zaken als een telefoon, een fax of een intercom in geen velden of wegen te bekennen, laat staan een computer. Hier kwam duidelijk zelden iemand kijken.
‘Blijven er nou veel dingen onafgehaald liggen?’ vroeg ik op de man af.
‘Dat houdt u niet voor mogelijk meneer’, zei de stofjas, ‘vooral na de oorlog is zich veel gaan ophopen. Uit piëteit voor eventuele oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden wil de bank wachten totdat niemand uit die tijd meer leeft die hier voor de oorlog spullen in bewaring heeft gegeven. Over een jaar of tien zullen de bazen denk ik wel overgaan tot een massale ontsluiting van alles wat er dan nog staat. Je kunt uiteindelijk niet aan het bewaren blijven.’
Ik knikte. Achter de man zag ik dat het depot opgedeeld was in secties. Ouderwetse geëmailleerde bordjes gaven aan met wat voor goederen men te maken had. Ik las:
CDD - Centraal Depot Derdengoederen.
CDJB - Centraal Depot Joodse Bezittingen.
CDCD - Centraal Depot Chartaal Derdenbezit.
De man kuchte en keek me strak aan.
‘Wat was die naam nou?’ vroeg hij, terwijl hij een oude stalen archiefkast opende. ‘En was hij klant bij Hope & Co. of bij een andere bank?’
‘Drost’, antwoordde ik, ‘Hendrik Drost. En hij was klant bij Hope & Co.’
De man pakte een beduimeld kasboek. Stokoud. Er was veel in gebladerd. Geroutineerd schoot hij door de vele pagina’s.
‘Enig idee van welk jaar dat depot is?’
‘1890’, antwoordde ik. De man had de juiste pagina snel te pakken.
‘Weteringschans?’
‘Dat is hem’, zei ik. Goeie genade, de Zitreus stond daar nog ingeschreven op zijn adres uit de jaren tachtig, negentig van de negentiende eeuw, nog uit de tijd vóórdat hij naar het Gooi verhuisde!
Zuchtend liep de stofjasman naar een rek in een hoek. Na wat gescharrel vond hij een braaf gelakt eiken trapje; hij moest helemaal bovenin zijn. Even later was hij weer beneden met een pak onder zijn arm. Er hing een etiket aan. ‘H. Drost’ stond er in keurige handgeschreven letters op. Eenmaal op de werktafel werd het pak geopend en kwam er een oud geldkistje tevoorschijn. Het was van stevig plaatijzer, maar het moest al een heel leven achter de rug hebben gehad toen de Zitreus het in 1890 naar de bank bracht. Het kistje zag er door en door gebruikt uit en de oorpsronkelijke verflaag had zijn eerbiedwaardige uitstraling goeddeels verloren. Links en rechts van het sleutelgat zaten draaiknkoppen met letters. De gebruiker van het kistje had op die manier een dubbele beveiliging: een lettercombinatiesluiting en een normaal afsluitbaar slotje. De letterknoppen leken overigens vastgekoekt te zitten. Er lag een oude dienstenvelop bovenop het kistje met de naam ‘Hope & Co.’ in de linker bovenhoek gedrukt.

Het oude geldkistje, zoals ik het later mocht fotograferen.
Ik had tijdens het uitpakken in een flits gezien dat er iets op de achterkant van het kistje was geschilderd en zocht koortsachtig naar een kans om te lezen wat er precies stond.
‘Denkt u dat het een speciaal veiligheidsslot is?’ vroeg ik, hetgeen me overigens voor geen meter interesseerde omdat ik de sluetel immers al had. Mij interesseerde op dat moment slechts de achterkant van dat kistje.
Zoals te verwachten viel, draaide de stofjas de voorkant van het kistje naar zich toe en bestudeerde het sleutelgat. Ik las op de achterzijde de letters HD, klaarblijkelijk de initialen van de eigenaar. De letters waren met de losse hand in wit neergezet, over de oude ondergrond heen. In het plaatijzer stond keurig leesbaar de naam Optima geslagen.
‘Nee hoor, gewoon een ouderwets slotje. Als u geen sleutel meer hebt, kunt u het met een loper open krijgen of desnoods gewoon openbreken. En die letterknoppen zitten muurvast, die zullen wel buiten werking zijn.’ Hij probeerde eraan te draaien maar er was geen beweging in te krijgen. Vastgekoekt, dat was duidelijk.
De man keek me afwachtend aan en vervolgde: ‘Maar voordat u daarmee aan de gang kunt, moet ik wel een bewijs van u hebben dat u het kistje mag afhalen.’
Dat had ik dus niet. Ik had weliswaar die oude depotovereenkomst maar dat was een document zonder waarde geworden. Als ik de man echter al bij binnenkomst had verteld dat ik geen geldige papieren bij me had, was ik misschien niet verder gekomen dan de voordeur.
‘Neen, zo‘n bewijs heb ik helaas niet’, antwoordde ik.
De man fronste zijn wenkbrauwen.
‘Hebt u geen verklaring van erfrecht of een testament?’ Er klonk een lichte irritatie in zijn stem.
Ik schudde mijn hoofd en kuchte.
‘Dan kan ik niets voor u doen meneer’, zei de stofjas koeltjes. Je kon zien dat hij zich afvroeg wat ik daar op zijn bijna heilige zolder eigenlijk kwam doen.
Ik vertelde hem dat ik dat niet erg vond, want dat ik al blij was om te weten dat er zich nog iets van de heer Drost in depot bevond, zodat mijn vrouw bij de notaris een bewijs zou kunnen aanvragen om aan te tonen dat zij gerechtigd was het kistje op te halen.
‘O juist ja’, mompelde de man droogjes. Tja, dat kwam wel eens meer voor.
‘Even uit nieuwsgierigheid meneer, maar is dat kistje nou zwaar, mag ik het even in mijn handen houden?’ vroeg ik met mijn vriendelijkste gezicht.
De man haalde verbaasd zijn schouders op. Hij glimlachte. ‘Och, waarom niet meneer.’ Even later had ik het geldkistje in handen. De waakhondenblik van de stofjas was overigens onmiskenbaar en bleef vastgekleefd aan het kistje. Intussen nam ik in gedachten de maten op en voelde het gewicht. Het kistje had de maat van een dik, uitgerekt woordenboek, maar ik wilde liever een exacte maat. Quasi-achteloos zette ik het kistje daarom op het snijblad neer. Dat blad had immers een centimeterverdeling en vertelde me in één oogopslag wat ik weten wilde.
Nu nog te weten zien te komen hoeveel het precies woog.
‘Tjonge, dat ding weegt een dikke tien kilo, als het niet meer is’, zei ik op zelfverzekerde toon.
De pakte nam het kistje hoofdschuddend op met de blik van een kenner. ‘Welnee meneer, dat weegt amper de helft’ en hij zette het op zijn weegschaal. ‘Kijkt u maar, acht kilo en vierhonderd gram. Maar het is inderdaad een stevig kissie. Ze wisten vroeger wel wat kwaliteit was.’ Hij schudde het heen en weer. Er klonk een dof gedempt geluid en het tikken van iets wat aan een stuk karton deed denken. ‘Trouwboekje, familiepaperassen, een kasboek, muntged, dat zal erin zitten’ gromde de archivaris. ‘Die dingen werden ook gemaakt voor aktes en zo.’
Met een verveelde blik werd het pak weer dichtgemaakt en teruggezet op de bovenste schap. Daarna ging de man breeduit achter zijn tafel staan en keek me een tikje uit de hoogte aan. Ik was immers geen rechthebbende, dus wat deed ik hier nog?
‘Nog een vraag mijnheer, mag ik weten wat er in die envelop zit?’
‘Nee meneer’, klonk het afgemeten.
‘Laatste vraag dan. Kunt u soms nakijken wanneer er iemand voor het laatst in dat kistje is geweest?’
De stofjas begon ongemakkelijk heen en weer te schuifelen. Ik vroeg klaarblijkelijk teveel. ‘Moet u eens luisteren mijnheer, de meeste bezoeklijsten uit die tijd zijn allang vernietigd en al zou ik die lijst van meneer Drost nog hebben, dan zou ik u daar geen mededelingen over doen.’ Hij klonk luid en duidelijk.
Met deze volzin was al zijn spraakzaamheid verdwenen en werd het tijd dat ik ging. Zwijgend bracht de stofjas me naar beneden. De directeur zat nog steeds te telefoneren. Al lopende door de duistere gang richting voordeur zag ik het daglicht hoog en schel door het fraai geajoureerde bovenlicht komen. Het gaf de stofjas een sinister aanzien en pas toen zag ik voor het eerst dat de man een grote lelijke wrat op zijn kin had. Ik keek ik op mijn horloge en zei zo losjes mogelijk: ‘Dank u wel voor al uw moeite, ik ga die papieren in orde maken. En u wordt al gauw afgelost, zie ik. Hebt u een goed contact met uw collega?’
De man trok de deur open en schamperde: ‘Ach meneer, hou maar op schei maar uit. Ik ben altijd blij dat ik weg mag voordat hij komt. Nou, dag hoor.’ En de zware deur viel dicht.

Het Centraal Depot Bankiershuizen aan de Herengracht..
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Het kistje dat voor mevrouw Boddéus bestemd was geweest, stond dus na al die jaren nog steeds in depot en ik was nieuwsgierig naar wat erin zou zitten. Documenten van 1890 of ouder zouden interessant kunnen zijn voor mijn onderzoek naar de Drosten. Alles in dat kistje had toebehoord aan de Zitreus en wat het ook was, alles was welkom, maar erg privacygevoelig of wereldschokkend zou de inhoud niet zijn, want de Zitrues wist dat mevrouw Boddéus het uiteindelijk in handen zou krijgen. Voor haar zou er waarschijnlijk een geldbedrag in zitten, een bankje van 500 gulden bijvoorbeeld. De Zitreus reisde nog op hoge leeftijd per trein naar Amsterdam en hij had alle gelegenheid gehad een geldbedrag in het kistje te stoppen. Het maakte mij niet uit, want dergelijke stokoude waardepapieren hadden hun geldigheid allang verloren. In het gunstigste geval zat er een zakje met wat muntgeld bij. Alles hing af van het ledig gewicht van dat kistje.
Eenmaal op mijn logeeradres aangeland ging ik op Internet kijken en vond al gauw op een website over het verzamelen van oud ijzerwerk zoals modeltreinen, koekblikken en... een pagina over geldkistjes. Het kistje van de Zitreus stond er helaas niet bij, maar er was een hele rij met links en in no time zat ik op een site met kluisjes en geldkistjes. En inderdaad, daar stond opeens het merk ‘Optima’, een fabrikant van geldkistjes en kluizen in alle maten. In de 19de eeuw kreeg de cliënt zo’n fraaie degelijke geldkist franco thuisbezorgd en de firma had een catalogus. De maten van een van de kistjes kwamen overeen met datgene wat het snijblad me had verteld, daar was geen twijfel over. Het gewicht zou volgens de Optima-catalogus 3,2 kilo bedragen.
Maar de stofjas hadeen gewicht van 8,4 kilo genoemd. Dat betekende dus ruim vijf kilo aan spullen in zo’n kistje dat een inhoud had van hooguit enkele liters. En het kistje was bij lange na niet vol want de inhoud was te horen geweest. Daar moest dus iets loodzwaars in zitten, dat kon niet anders.
Natuurlijk!..... Dát was het!..... GOUD!..... Er moesten enkele goudstaven in dat kistje zitten. Een andere optie lag redelijkerwijs niet voor de hand.
Waarschijnlijk had de Zitreus zijn kapitaal belegd met het oog op de toekomst waarin waardepapieren wel eens niets meer waard zouden kunnen zijn en had hij er vijf baartjes goud voor gekocht. In dat geval had de man een vooruitziende blik gehad. Met name de bank Hope & Co. had in zijn gloriejaren enorme bedragen aan Russische obligaties en spoorwegaandelen bij beleggers geplaatst, maar toen in 1917 de revolutie uitbrak, waren al die papieren opeens waardeloos. Goud bleef zijn waarde echter uitstekend behouden. Die vijf baartjes zouden de Zitreus tegen het eind van de 19de eeuw in totaal ongeveer zeven- à achtduizend gulden hebben gekost. Hij had het goud kennelijk in het kistje gestopt om het als een appeltje voor de dorst te bewaren en hij had een fors bewaarloon vooruitbetaald voor lange tijd, zodat het kistje rustig en onaangeroerd zou blijven wachten totdat het werd opgehaald. Klaarblijkelijk had hij het wenselijk geacht geen adreswijziging op te geven aan de bank en bij het maken van zijn testament moet hij het depot opzettelijk verzwegen hebben, zodat hij vrij was om zijn huishoudster zonder geduvel met andere erfgenamen en belastingvrij over het kistje te kunnen laten beschikken na zijn dood. Maar we zaten inmiddels al in de 21ste eeuw en het kistje stond na al die jaren nog steeds in depot, dus er was kennelijk ergens iets fout gegaan.
Inmiddels waren er na de dood van de Zitreus ruim zeventig jaren verstreken en had niemand zich blijkbaar meer om het kistje bekommerd. Mevrouw Boddéus, voor wie het naar alle waarschijnlijkheid bestemd was geweest, was op hoge leeftijd weduwe geworden en kinderloos gestorven.
Ik kreeg een tintelend gevoel in mijn vingers.... Niemand bij de bank wist wie de rechtmatige eigenaar van het kistje was. Het idee dat iemand in dat oude stoffige archief dat kistje ooit eens zou openen en de goud-glanzende inhoud zou overhevelen naar vadertje staat, was voor mij absoluut onverteerbaar.
Soms lacht het geluk je toe. Je hoeft het alleen nog maar een duwtje te geven.
Ik was maar korte tijd in Nederland, maar wist nog overal goed de weg en ging ik kijken bij een bedrijf dat sloopmateriaal verkoopt. Je kon er van alles krijgen wat uit een oud huis kwam. Ik vond een doos vol ijzeren gewichten die ze vroeger gebruikten om schuiframen mee open te kunnen houden. Die gewichten hingen aan een koord over een katrol, onzichtbaar ingebouwd links en rechts in het kozijn als tegengewicht voor het schuifraam. Voor kleine schuiframen had je kleine gewichten en daar was ik naar op zoek. Ik vond er vier en die wogen bij elkaar rond de vijf kilo. Ze waren stijf verroest en zagen er stokoud uit. In een antiquarische boekwinkel kocht ik een vergeelde incomplete krant van omstreeks 1885. Thuisgekomen trok ik plastic handschoenen aan, maakte de vier gewichten nat en wikkelde ze een voor een zorgvuldig in een stuk 19de-eeuwse krant. Tenslotte instrueerde ik Ethne om mij vanuit Australië een verklaring te faxen waarin ze mij volmacht gaf een oud aktekistje op te halen met de initialen HD als omschreven in de depotovereenkomst met de bank Hope & Co., zijnde van haar oom Hendrik Drost, overleden in 1931, van wie zij erfgename was. Nadat ik Ethne’s fax had ontvangen was ik klaar voor actie.
Het was winter en nu kwam de loden jas goed van pas die ik bij vrienden had opgeslagen toen we emigreerden. Die jas zat heerlijk warm, maar was bovendien zwaar van zichzelf, zodat je niet kon zien dat er vier ijzeren gewichten in de binnenzakken zaten. Aldus bepakt en bezakt treinde ik op een vrijdagochtend naar Amsterdam, met een wat beklemd gevoel in mijn maag, maar dat verdween weer na een steveige kop cappuccino bij Hoppe. Na een korte wandeling stond ik weer voor het Centraal Depot.
Ik wist dat de stofjasmeneer er niet zou zijn. Er zou een andere stofjas rondlopen, hetgeen inderdaad het geval bleek te zijn. En ik had een beetje geluk, want deze archivaris was van het gezagsgetrouwe type, hetgeen me later van pas zou komen. Ik zei dat ik een geldkistje uit het depot van Hope & Co. kwam ophalen van de erven Drost en dat ik de papieren bij me had, waarop de man gedienstig knikte en me meenam richting lift. Van achter een dichte deur hoorde ik de directeur een brief dicteren. Gelukkig was die er dus ook. Uiteraard liet ik de archivaris niet merken dat ik al eerder langs was geweest.
Boven gekomen speelde ik de verbaasde klant die zijn ogen uitkeek naar al die oude spullen op de schappen.
‘Hoe was de naam ook weer?’ vroeg de man die een wat wonderlijk toonloos gezicht had, net een masker. Zijn ogen waren al even toonloos als zijn gezicht, flets-grijzig blauw. Vlees noch vis.
‘Drost. Hendrik Drost. Hij was een oom van mijn vrouw. Die wist dat haar oom hier ooit in 1890 wat spullen in bewaring had gegeven toen hij nog op de Weteringschans woonde.’
‘Ik héb hem!’ klonk het vrolijk. ‘Weteringschans. Inderdaad, daar woonde hij.’ Het masker grijnsde breed.
‘Mijn vrouw zei dat het een oud kistje moest zijn met zijn initialen op de achterkant geschilderd,’ zei ik op enthousiaste toon.
‘Nou, we zullen zien meneer’, mompelde het masker terwijl hij zijn laddertje opzocht.
Daarna voltrok zich hetzelfde ritueel van enkele dagen tevoren. Het pak kwam weer naar beneden, belandde op de grote tafel, werd opengemaakt en ja hoor, daar stond het geldkistje weer voor mijn neus. Ik kon zien dat de man een beetje verbaasd was over het forse gewicht van dat kleine kistje. Met een bons zette hij het voor mij neer.
‘Dat is alles’, zei het masker. ‘En verdraaid ja, u hebt gelijk, er staat HD op geschilderd, uw vrouw was goed op de hoogte.’
‘Ik wilde dit graag meenemen’, zei ik. ‘Kan dat?’
Ik wist bij voorbaat dat die vraag nutteloos zou zijn.
‘Wat voor documenten hebt u bij u, meneer?’ Ik haalde de depotovereenkomst tevoorschijn. De man bestudeerde het document vluchtig. ‘Prima, maar ik heb méér nodig. Beschikt u over een document waaruit blijkt dat u dit kistje mag afhalen, een verklaring van een notaris bijvoorbeeld?’
Dat antwoord had ik verwacht en ik speelde het spel mee. Resoluut greep ik in mijn binnenzak en haalde een stuk papier tevoorschijn. Met een zelfverzekerde blik gaf ik het aan de man.
‘Mijn vrouw zit in Australië, maar ze heeft me deze verklaring gefaxt’, zei ik.
De man las Ethne’s gedetailleerde volmacht met aandacht.
‘Heel spijtig voor uw vrouw, maar dat is niet voldoende’, zei de man. ‘Uw vrouw weet weliswaar prima waar ze het over heeft, maar ze zal tevens moeten aantonen dat zij de enige erfgename is. Is dit alles wat ze u heeft gestuurd?’
Ik knikte. Het masker had groot gelijk. Ik had geen andere reactie van hem verwacht. De man hield zich keurig aan de regels. Tot nu toe verliep alles precies zoals het hoorde.
‘Ja, natuurlijk, u hebt gelijk, u moet een harder bewijs van ons hebben. Maar dat is geen probleem meneer’, zei ik kordaat, ‘daar gaan we dan voor zorgen. Onze notaris weet vast wel raad met zoiets. Die moet dat testament maar zien op te vissen. En zodra ik de papieren rond heb, kom ik weer terug.’
‘Prima meneer’, zei het masker dat alweer aanstalten maakte om het kistje terug te doen in de verpakking.
Nu werd het tijd voor een offensief.
‘Wacht even meneer’, zei ik. ‘Er zit een envelop bij dat kistje. Kunt u mij vertellen wat erin zit?’
De man aarzelde en keek me vriendelijk aan. ‘Nee meneer, ik mag dat niet zomaar doen, want ik moet eerst die erfrechtverklaring hebben van u.’
Dat antwoord had ik verwacht. Zorgvuldig koos ik nu mijn woorden.
‘Weet u meneer, ik ben schrijver en houd me al jaren bezig met de familiegeschiedenis van mijn vrouw. Van die oom van haar weten we heel weinig en ik ben op zoek naar ieder aanknopingspunt met het verleden van die man. Ik begrijp best dat u die envelop niet zomaar mag openmaken voor mij, maar beneden zit de directeur. Zou u het aan hem willen vragen?’
Ondertussen had ik het zweet in mijn handen staan. Ik wilde dat masker naar beneden hebben, weg uit die kamer, weg van die verdieping!... Bij mijn vorige bezoek had ik weliswaar geen telefoon zien staan, maar wie weet wat er in de andere vertrekken stond. Ik hoopte vurig dat de man naar beneden moest om zijn directeur te spreken.
Het masker zuchtte en keek me wederom vriendelijk en geduldig aan. Hij aarzelde weer, zocht naar woorden.
‘Meneer, het is nu eenmaal niet gebruikelijk dat.....’
Ik stak mijn hand op. ‘Meneer’, zei ik, nét even iets luider dan normaal, ‘ik kom helemaal uit Australië om genealogisch onderzoek te doen. Misschien is uw directeur bereid voor mij een uitzondering te maken. Desnoods kijkt hij eerst naar de inhoud of die wel bekend mag worden gemaakt aan derden. Dat kan toch geen kwaad, dacht ik zo?’
Dat laatste gaf de doorslag. De man pakte de envelop en schuifelde richting deur. Hij draaide zich om.
‘Ik doe dit voor u omdat uw vrouw het kistje zo precies heeft omschreven en omdat u van ver komt, maar ik reken erop dat u hier blijft zitten totdat ik terugben’, zei hij en hij trok de deur achter zich dicht. Een paar tellen later hoorde ik het zoemen van de liftdeur, een klik en het geluid van de dalende lift.
Razendsnel handelen was nu geboden. Ik schoot de plastic handschoenen aan en griste het sleuteltje tevoorschijn dat al die tijd in mijn vestzak had gezeten. Trillend van opwinding boog ik me over het kistje. Alles hing ervan af of de sleutel zou passen.
Hij paste!
De laatste hindernis werd gevormd door de combinatiesloten. Als die nu inderdaad maar buiten werking waren, anders was alles verloren.
De deksel wilde niet open. Slechts een paar millimeter. Er blokkeerde iets. En de draaiknoppen zaten echt muurvast.

De geblokkeerde lettercombinatiesluiting, zoals ik hem fotografeerde toen alles achter de rug was.
Ik was voorbereid en had een tangetje en een kleine schroevendraaier meegenomen, maar bij mijn vorige bezoek had ik op tafel een doosje met gereedschap zien staan met daarin een forse schroevendraaier, veel beter geschikt dan wat ik bij me had. De grote schroevendraaier lag er gelukkig nog. Snel stak ik het uiteinde onder de deksel en maakte een krachtige wrikkende beweging.
Met een harde droge klik en veel gepiep ging de deksel open. Ik schrok ervan, maar ik was alleen. In het kistje lag inderdaad een trouwboekje, wat aktes en verder vijf donkerrode vilten etuitjes in de vorm van een uitgerekte Marsreep. De etuitjes zaten gewikkeld in een fluwelen lap zodat ze niet in het kistje heen en weer konden slingeren. Toen ik ze beetpakte, waren ze loodwaar. Mijn theorie had geklopt. Hier moésten goudbaartjes in zitten.
Mijn hart sloeg over en de zenuwen gierden me door de keel. Ik griste de vier in kranten gewikkelde ijzeren gewichten uit de binnenzakken van mijn jas. Nu maar afwachten of ik de maten van het kistje wel goed in me had opgenomen, want anders zouden de gewichten er niet in passen.
Ze pasten precies!
Ik hoorde iets! Wat was dát...? Het zoemen van de lift drong onmiskenbaar de kamer binnen. Daarna een klik... HET MASKER WAS TERUG...!!! Ik schrok me dood. Nog maar enkele seconden en hij zou binnenkomen. In ijltempo verdwenen de vijf baartjes en de meeste papieren in mijn binnenzakken. Deksel dicht. Kistje op slot. Sleutel eruit. Schroevendraaier terug in het bakje. En terwijl ik me in mijn stoel terug liet zakken, zwaaide de deur open. De archivaris schuifelde terug naar zijn plek achter de tafel. Achteloos liet ik het sleuteltje in mijn broekzak glijden. Hij had niets gezien.
‘We moeten even wachten op de directeur’, zei hij. ‘Die is aan het bellen, maar hij komt zo boven.’
‘O, juist ja’, mompelde ik schor, me plotseling realiserend dat ik mijn plastic handschoenen nog aan had. Gelukkig bevonden mijn handen zich nog in mijn zakken. Zo onopvallend mogelijk wurmde ik de handschoenen los en frommelde ze weg. Het was meer dan tijd. Op dat moment zwaaide opnieuw de kamerdeur open. Ditmaal was het de directeur die zijn gesprek blijkbaar snel had beëindigd en meteen in het kielzog van zijn archivaris de lift had gepakt. Ik had hem niet horen aankomen. Mijn hart klopte heel even in mijn keel, maar ik herstelde me ogenblikkelijk, stond op en stelde me voor. De directeur was een keurig uitziende man van middelbare leeftijd in driedelig streepjesgrijs, de belegen outfit van de stereotype bankman. Hij was uitermate vriendelijk en zag mijn komst blijkbaar als een welkom verzetje.
‘Meneer Bolle. Uit Australië nog wel! Mijn naam is van Daalen. Gaat u toch zitten. Zal ik koffie laten komen?’
Ik voelde mezelf weer tot rust komen.
‘Maar laat mij eerst even uw jas aanpakken.’
Wederom knalde er een scheut adrenaline door mijn aderen. Die jas was zwaar van het goud en mocht dus absoluut niet uit...!!! Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik kuchte omslachtig.
‘Als u het niet erg vindt houd ik hem liever aan meneer van Daalen. Ik ben erg kouwelijk ziet u en ik heb bovendien wat kou gevat gisteren. Eerlijk gezegd heb ik het zelfs nu met die jas aan nog niet echt warm...’
In werkelijkheid plofte ik zowat van de hitte. Die zolderverdieping was juist uitermate behaaglijk en ik had het dan ook Spaans benauwd in die zware loden jas, al was dat gelukkig niet aan mijn gezicht te zien. De directeur keek me intussen bezorgd aan.
‘Willem’, zei hij tegen het masker, ‘zet die radiator eens wat hoger voor meneer Bolle, wil je?’
Aldus geschiedde. In stilte vervloekte ik het masker, de directeur en mezelf erbij.
‘Rustig blijven, Bolle’, dacht ik. ‘Rustig de tijd nemen, relaxed overkomen en zorgen dat je hier wegkomt.’
De heer van Daalen vroeg Willem om koffie te halen. Gedienstig schuifelde die richting lift. De directeur ging aan de andere kant van de tafel zitten, pakte de envelop en opende die. Er zat een stokoud document in en een brief van iets modernere snit. De directeur begon te lezen. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek me over zijn brillenglazen onderzoekend aan.
‘Zegt de naam Boddéus u iets?’
‘Jazeker’, antwoordde ik, ‘dat was de huishoudster van wijlen meneer Hendrik Drost.’
‘Opmerkelijk’, zei de heer van Daalen, ‘ik heb hier het bankexemplaar van de depotovereenkomst van de heer Drost en onze bank uit 1890. De brief die erbij zit, dateert van een jaar of vijfenveertig later en bevat een interne notitie van ons. Het betreft een rapport van een medewerker van onze bank uit het midden van de jaren dertig die toen nog Hope & Co. heette. De collega was beheerder van de in bewaring genomen goederen en had mevrouw Boddéus op 1 april 1931 aan het loket gekregen. Die had hem de depotovereenkomst van de heer Drost laten zien, alsmede een volmachtbrief. Op dat belangrijke document had de heer Drost geschreven dat hij mevrouw Boddéus, zijnde zijn huishoudster, machtigde om het door hem in bewaring gegevene op te halen. Er stond een datum boven, maar die was te kriebelig geschreven om precies te kunnen lezen. Alleen ‘1930’ was goed leesbaar.’
‘En toen?’ vroeg ik.
‘Onze loketmedewerker vond het wat vreemd dat de heer Drost sinds 1890 nooit meer iets van zich had laten horen, maar de bank maakte wel vaker bijzondere afspraken met vermogende cliënten en het ging hem natuurlijk verder ook niets aan. Het zat hem echter niet lekker dat het document niet recentelijk was gedateerd, maar een jaar eerder en daarbij niet goed leesbaar. Verder was die mevrouw Boddéus wat zenuwachtig overgekomen. Hij had haar gevraagd of haar baas nog steeds aan de Weteringschans woonde, waarop mevrouw Boddéus was geschrokken en wat zenuwachtig-lacherig had geantwoord dat haar broodheer waarschijnlijk in de hemel woonde omdat hij zojuist was overleden. Meteen daarna had ze een kleur gekregen. Bij de medewerker waren toen de alarmbellen gaan rinkelen. Die volmacht had na het overlijden immers zijn rechtskracht verloren, dus had hij mevrouw Boddéus om een verklaring van erfrecht of een ander geldig wettig document gevraagd, maar een dergelijk papier had ze niet kunnen overleggen. De vrouw had toen wat aarzelend gezegd dat ze meteen contact zou opnemen met de executeur testamentair en zo spoedig mogelijk zou terugkomen. De medewerker besloot de volmachtbrief van de overledene niet meer terug te geven aan mevrouw Boddéus, maar het document onder zijn berusting te houden, in afwachting van de terugkomst van de vrouw of... van de rechtmatige erfgenaam. Hij maakte van het voorval een uitgebreide notitie en verder werd nooit meer iets van de huishoudster of de erven gehoord.’
Het werd stil in de kamer. De verwarmingsradiatoren tikten van het hete water dat erdoorheen joeg. Ikzelf zat te transpireren als een otter.
‘Is die mevrouw Boddéus dus niet meer teruggeweest?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Nee. De medewerker heeft trouw de stand van zaken iedere drie maanden aangetekend en wel drie jaar lang. Daarna is het dossier afgelegd. Het eindverslag heb ik hier. Die vrouw heeft nooit meer iets van zich laten horen, maar vreemd genoeg kwam er ook geen erfgenaam opdagen. Onze cliënt had ons echter de strikte opdracht gegeven nooit met eventuele erven in contact te treden, dus ging het kistje bij ons als zijnde onbehandelbaar op de plank. U bent na al die jaren de eerste die erom vraagt. Trouwens, ik hoorde van Willem dat de heer Drost een oom van uw vrouw zou zijn geweest. Was er helemaal geen verdere familie dan alleen uw vrouw?’
Ik kon nu vrijuit antwoorden. Er viel immers weinig meer te bederven en het kistje interesseerde me hoegenaamd niets meer.
‘O ja, die Hendrik Drost was een broer van de overgrootvader van mijn vrouw en die overgrootvader had vijf kinderen geloof ik.’
De reactie die volgde was voorspelbaar. De heer van Daalen zette grote ogen op.
‘Maar meneer Bolle! Dat betekent dat er op dit moment misschien wel meer nazaten Drost rondlopen die evenveel aanspraak kunnen maken op dat kistje. Ik ben bang dat uw notaris niet op korte termijn iets voor uw vrouw kan doen. Er zal eerst een omvangrijk onderzoek op gang moeten komen en ik vraag me af of de inhoud van dat kistje zoiets waard is. Het ziet er wel imposant uit en voelt behoorlijk zwaar aan, maar die oude geldkistjes werden vroeger op de eeuwigheid gebouwd en uiteindelijk is het een forse maat. Waarschijnlijk zitten er alleen maar wat familiebescheiden in, bijvoorbeeld brieven van privacygevoelige aard, kasboeken en wat opgespaard muntgeld. En als er oud papiergeld in zit of aandelen, hebt u daar nu weinig meer aan. Gaat u er maar van uit dat er geen waardevolle zaken in dat kistje zitten, anders had de eigenaar wel een notitie achtergelaten of er melding van zijn gemaakt in zijn wilsbeschikking en waren de erven het wezen ophalen. Die depotovereenkomst is waarschijnlijk ergens tussen geraakt en pas veel later boven water gekomen. Dat soort dingen gebeurde wel vaker.’
Ik knikte en veinsde mijn teleurstelling. Inmiddels was de koffie bovengekomen. Ik dronk het kopje in één teug leeg en ik voelde mezelf ook aardig leeg van het wegebben van de spanning. Bovendien kreeg ik een dringende afwezigheidsbehoefte, niet het minst door die snikhete zolderkamer. En die zware goudstaven maakten mijn loden jas nog zwaarder dan lood.
Helaas, ik mocht nog niet weg.
‘En nu moet u me eens wat vertellen over Australië’, zei de directeur allervriendelijkst.
Och heremetijd!... En ondertussen gutste het zweet tappelings langs mijn bilnaad, maar ik liet niets merken en vertelde zo ontspannen mogelijk honderduit over ons nieuwe vaderland. Na een kwartier vond ik het welletjes.
‘Wanneer gaat de bank dat kistje openen?’ vroeg ik op groot lef.
‘Geen idee meneer Bolle. Dat kan over een jaar of tien zijn. Dan gaan we dit pand verlaten en wordt het tijd om eens schoon schip te maken.’
‘Mooi, dan hebben we alle tijd om ons te beraden wat we zullen doen met dat kistje’, zei ik droogjes, ‘maar mag ik er alvast wel een foto van maken? Ik weet zeker dat ik mijn vrouw daar een groot plezier mee doe. Dan heeft ze iets om zich op te verheugen’.
De heer van Daalen knikte en snel schoot ik een paar plaatjes van het kistje dat parmantig op het zwarte linoleum stond. Het kistje dat ik nooit meer zou terugzien.
Behoedzaam pakte ik de oude depotovereenkomst van tafel, bedankte de heren voor alle moeite en gaf de man met het masker die boven bleef, een hand. Hoogstwaarschijnlijk zou hij nooit van zijn stofjascollega horen dat ik al eerder langs was geweest, want de heren zagen elkaar zelden en evenmin zou de stofjas iets van het masker horen.
Vervolgens liet de heer van Daalen me uit en klikte de voordeur netjes dicht. Ik stond weer buiten, in de vrieskou. Het duizelde me en hoewel ik anders graag naar het Centraal Station was teruggelopen, liet ik me comfortabel rijden door een taxi. Ik was helemaal opgebrand en bezweet en wilde geen kou vatten.
In de trein terug naar mijn logeeradres zat er niemand in de coupé. Pas toen viel alles van me af, vooral de spanning want ik had een paar keer behoorlijk spitsroeden gelopen daar op die snikhete zolder. Wat een consternatie zou het hebben gegeven als ik zou zijn betrapt met die goudstaven in mijn handen? Maar dat was dus niet gebeurd en niemand had iets verdachts gemerkt. Er bekroop mij een triomfantelijk, bijna bedwelmend geluksgevoel, maar al gauw kwam ik weer tot mezelf en dacht na over wat er in het verleden kon zijn gebeurd. Alles leek nu op zijn plaats te vallen. De Zitreus moet mevrouw Boddéus kort voor zijn dood die depotovereenkomst met volmachtbrief en het sleuteltje hebben gegeven. Hij zal haar toen in zijn laatste levensdagen ongetwijfeld goed op het hart hebben gedrukt dat ze meteen na zijn overlijden naar de bank moest gaan en vooral niet moest zeggen dat hij was overleden. Maar door zijn slordig opgestelde volmacht had de oude baas zijn gezelschapsdame opgezadeld met een probleem. Daags na zijn overlijden had de vrouw op 1 april 1931 de trein naar Amsterdam genomen. Het arme mens, toch al uit haar doen door het overlijden van haar baas de vorige dag, moet daar bij dat bankloket met het zweet in de handen hebben gestaan. De bankemployee had met gefronste wenkbrauwen naar die volmacht zitten turen en haar gevraagd of haar baas nog op de Weteringschans woonde. Op die vraag had ze kennelijk niet gerekend. In haar zenuwen had ze zich versproken en daarmee de bankemployee in zijn vermoeden gesterkt dat er iets niet klopte.
Toen ze onverrichter zake terug moest, moet ze geweten hebben dat haar kansen verkeken waren. Ze was haar volmacht kwijt die trouwens waardeloos was geworden, had een even waardeloze overeenkomst en een dode broodheer die niets meer voor haar kon doen. Van de erfgenamen hoefde ze niets te verwachten als ze hen dat papier zou overhandigen. Die zouden meteen het in bewaring gegevene gaan opeisen en omdat mevrouw Boddéus het niet erg ophad met die erfgenamen die je anders zelden zag en nu begerig ‘haar’ dierbare huis liepen leeg te graaien, zouden ze van haar niets horen. Ze had het financieel goed en stelde haar eisen voor een oude dag niet bijster hoog. Het gebaar van haar vroegere baas vond ze al meer dan voldoende en daarbij zal ze waarschijnlijk niet eens hebben geweten van de waardevolle goudschat die in het kistje zat. Het sleuteltje, de depotovereenkomst en de envelop gingen dus in de doos met herinneringen aan de tientallen gelukkige jaren die ze had mogen hebben, eerst aan de Naarderstraat in Laren en daarna aan de Sationsstraat in Hilversum in het huis van weduwnaar Hendrik Drost, een baas de sfeer had geademd van de 19de-eeuwse wereld van heer en knecht maar die haar had behandeld als iemand die meer voor hem was dan een huishoudster alleen, als een gelijke bijna. Ze was door hem altijd met respect behandeld geweest, hetgeen ze ook had mogen ervaren van de rest van de familie als men weer eens bij elkaar kwam. ‘Tante Greet’ hoorde erbij. Tevreden met die goede herinneringen aan haar broodheer stapte ze een volgende fase in haar leven binnen. Het contact met de familie Drost hield ze jarenlang keurg in stand, maar met haar verscheiden was er niemand meer die nog iets wist van een geldkistje bij de bank Hope & Co.

Kerst 1941 in huize Boddéus als decor voor een Nieuwjaarswens waarbij de familie Drost niet werd vergeten. Drost-archief DB 0511.
Eenmaal in de veilige beslotenheid van mijn logeeradres, bekeek ik het cadeautje van de Zitreus.
De brave man had inderdaad slim gehandeld met zijn hoofdprijs. Het waren vijf baartjes van elk een kilo 999,99 pro mille zuiver goud. Na ruim 115 lange jaren zagen ze eindelijk weer het daglicht.
Wat zou ik er veel voor over hebben om dat gezicht te zien van de bankbediende die over een jaar of tien dat geldkistje gaat openmaken. Hij vindt dan een trouwboekje en vier oude roestige gewichten. Niets zal wijzen op de wisseltruc. De gewichten zijn negentiende-eeuws en zijn gewikkeld in kranten uit de tijd van het aangaan van de depotovereenkomst, kranten die er heel vertrouwenwekkend omheen zitten, vastgekoekt door de roest, want ik had die gewichten niet voor niets nat gemaakt alvorens ze in die kranten te wikkelen. En vingerafdrukken zullen ze in het kistje evenmin vinden.
Ik heb inmiddels één baartje verkocht om daarmee alle kosten van het genealogisch onderzoek en andere uitgaven voor dit Drostenboek te dekken. De overige vier baartjes moeten nog even in de wacht, maar de brochures voor een superlange kaviaarcruise rond de wereld zijn al aangevraagd.
Als de Zitreus zittend op een wolk dit allemaal zou zien, zou hij waarschijnlijk lachen, want als ik niet zou hebben ingegrepen, was zijn mooie goudschat aan de staat vervallen en dat is wel het allerlaatste wat een rechtgeaarde koopman wil. Die ‘gouden handdruk’ zal hij mij als Drosten-chroniqueur wel hebben gegund...

Tenslotte nog dit:
Ik kondigde reeds aan dat dit verhaal anders zou zijn dan de verhalen in de overige hoofdstukken. Die andere verhalen zijn het resultaat van de arbeid van ondergetekende als onderzoeker die enkele jaren van zijn leven spendeerde aan een Drostenarchief en een genealogisch onderzoek, zoveel mogelijk feiten en bronnen wilde verantwoorden en op eigen kosten een familieboek wilde componeren.
En nu gaat die Bolle in het allerlaatste hoofdstuk zomaar buiten zijn boekje. Maar liefst vijf kostbare goudstaven achterover gedrukt, goudstaven die aan de erven Drost toebehoren. En die Bolle is niet eens een echte Drost... Schánde!
Welnu waarde lezer, let goed op en houd u vast want het is nu mooi genoeg geweest. Ik bezit helemaal geen goudstaven en heb er geen bezeten. Zelfs niet één. Was het maar waar. Ik moet u bekennen dat ik dit hele verhaal onder een paar heerlijke glazen whisky heb zitten schrijven. Het hele geldkistjesverhaal is dus uit mijn dikke duim ontsproten als een super-ondeugende bokkensprong na het strakke keurslijf van jaren van serieus onderzoeken, archiveren en beschrijven waarbij menig woord op een goudschaaltje werd gewogen. Dan is het best wel eens verfrissend om je als schrijver uit te leven in een fictieverhaal over jezelf dat ook nog eens stinkt naar de misdaad. En ik kan u verzekeren dat het niet eenvoudig is om zo’n verhaal geloofwaardig op te zetten. Je mag geen enkele detail over het hoofd zien.
Toch is het goudstavenverhaal ook weer niet niet helemaal fictie. Het verhaal over de geschiedenis van Hope & Co. is geheel waarheidsgetrouw en maakte deel uit van mijn archiefonderzoek. De Zitreus zou wel degelijk een hoofdprijs hebben gewonnen in een loterij en zou over dat geld nooit iets aan zijn vrouw hebben verteld. Inderdaad was mevrouw Boddéus tijdens zijn weduwnaarschap zijn gezelschapsdame, inderdaad was zijn stief-schoonzoon Soutendam executeur testamentair en... weet niemand van de familie Soutendam meer iets te vertellen over de nalatenschap van de Zitreus, laat staan over de een of andere hoofdprijs in een kluis... Maar de depotovereenkomst en de envelop zijn gedigitaliseerde fantasiestukken van ondergetekende, de firma Optima heeft nooit bestaan, een centraal depot van oude bankiershuizen evenmin, de afbeedling van het geldkistje en het grachtenpand plukte ik van Internet en het verhaal over mijn goudstavenavontuur is van A tot Z pure lariekoek!
Bert Bolle
Top
Welkom & Uitleg Genealogie
Copyright
De auteur verleent toestemming tot het overnemen van tekstgedeelten uit dit digitale boek en beeldmateriaal uit het Drost-archief, mits voor niet-commerciële, educatieve of wetenschappelijke doeleinden en met vermelding van auteur en website.